Skip to main content
main-content
Top

Tip

Swipe om te navigeren naar een ander hoofdstuk

2016 | OriginalPaper | Hoofdstuk

13. Antibiotica, antivirale middelen en antischimmelmiddelen

Auteurs: Marieke van der Burgt, Els van Mechelen-Gevers

Gepubliceerd in: Medicatie in de praktijk

Uitgeverij: Bohn Stafleu van Loghum

share
DELEN

Deel dit onderdeel of sectie (kopieer de link)

  • Optie A:
    Klik op de rechtermuisknop op de link en selecteer de optie “linkadres kopiëren”
  • Optie B:
    Deel de link per e-mail

Samenvatting

Middelen tegen (infecties door) micro-organismen heten antimicrobiële middelen. Antibiotica werken tegen bacteriën, antivirale middelen tegen virussen, antimycotica tegen schimmels. Sommige antibiotica werken ook tegen protozoën. Er zijn bacteriën en virussen die tegen een of meer middelen resistent zijn geworden (zie paragraaf 13.1).
Een antibioticum werkt tegen bepaalde groepen bacteriën: gramnegatieve of -positieve bacteriën, kokken of staafjes, aerobe of anaerobe bacteriën. Een antibioticum werkt bactericide of bacteriostatisch op een of enkele bacteriegroepen (smal spectrum) of op veel groepen (breed spectrum).
Het eerste antibioticum was penicilline. Er zijn steeds nieuwe middelen ontwikkeld die tegen meer of andere bacteriegroepen werken. En naarmate bacteriën resistenter werden, zijn antibiotica ontwikkeld waarvoor ze nog wel gevoelig waren. Maar ook daartegen ontstonden resistentie en kruisresistentie. In Nederland komt resistentie minder voor dan gemiddeld in Europa. Nederlandse artsen schrijven relatief weinig antibiotica voor. Wel worden antibiotica die bij mensen worden gebruikt ook op grote schaal in de dierhouderij gebruikt. Daardoor neemt het resistentieprobleem toch toe (zie paragraaf 13.2).
Groepen antibiotica zijn: penicillinen (amoxicilline), cefalosporinen (cefuroxim), aminoglycosiden (gentamycine), tetracyclinen (doxycycline), macroliden (erithromycine), chinolonen (ciprofloxacine) en overige zoals vancomycine. De arts kiest een antibioticum volgens een beslisschema (zie paragraaf 13.2.3). Verpleegkundigen zijn verantwoordelijk voor de toediening. Zij observeren het effect en zijn alert op ongewenste effecten. Voor tuberculose worden speciale combinaties gebruikt, omdat tuberculosebacteriën voor veel antibiotica niet gevoelig (meer) zijn (zie paragraaf 13.2.4).
Veel antibiotica hebben interacties met andere geneesmiddelen (zie paragraaf 13.2.5).
Antivirale middelen of virusremmers bestaan nog niet zo lang. Ze hebben meer en ernstiger bijwerkingen en worden daarom vooral bij ernstige virale infectieziekten gebruikt.
Bij hiv-infectie en aids wordt meestal een combinatie gebruikt van drie middelen: tripeltherapie. De belangrijkste groepen virusremmers zijn transcriptaseremmers en proteaseremmers (zie paragraaf 13.3.1).
Na mogelijke besmetting (met hiv) wordt een inschatting gemaakt van het risico. Op grond daarvan kunnen virusremmers worden gegevens als postexpositieprofylaxe (PEP) (zie paragraaf 13.3.2).
Antischimmelmiddelen heten antimycotica. Tegen eenvoudige schimmelinfecties zoals voetschimmel zijn crèmes met antischimmelmiddelen zonder recept verkrijgbaar. Voor andere lokaal toe te dienen middelen is een recept nodig (zie paragraaf 13.4).
Ernstige schimmelinfecties van organen worden behandeld met middelen die systemisch worden toegediend, zoals ketoconazol. Deze middelen hebben veel bijwerkingen.
Metagegevens
Titel
Antibiotica, antivirale middelen en antischimmelmiddelen
Auteurs
Marieke van der Burgt
Els van Mechelen-Gevers
Copyright
2016
Uitgeverij
Bohn Stafleu van Loghum
DOI
https://doi.org/10.1007/978-90-368-1522-2_13