Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

De anesthesiologie is een boeiend specialisme. Anesthesiologen zorgen en doseren, beheersen en regelen. De coördinatie van werkzaamheden op de operatiekamers, de dagbehandeling en de preoperatieve screening maken een steeds groter deel uit van de werkzaamheden van de anesthesioloog. 

Het boek Anesthesiologie biedt een gedegen basis voor dit veelzijdige vak. Deze herziene en geactualiseerde druk bestaat uit negen delen: operatiekamercomplex, monitoring en apparatuur, tijdens anesthesie gebruikte farmaca, basisprincipes van anesthesie en intraoperatieve problematiek, preoperatieve screening, speciële anesthesie, postoperatieve zorg, pijnbestrijding en reanimatie. Ieder hoofdstuk begint met een korte inleiding en bevat één of twee casus. De kernpunten worden telkens samengevat aan het eind van de paragraaf.

De anesthesioloog zet kennis van fysiologie, farmacologie en anatomie in bij de toepassing van locoregionale en pijnbestrijdingtechnieken en van (non) invasieve ingrepen op de operatie­kamer en de intensive care. Zijn vakgebied heeft raakvlakken met zowel de beschouwende als de snijdende disciplines. De anesthesiologische preoperatieve voorbereiding, die in samenwerking met deze disciplines plaatsvindt, wordt aan de hand van praktijkvoorbeelden besproken. Ook diverse aandachtsgebieden in de anesthesiologie, zoals de kinderanesthesie, de cardioanesthesie en de neuro-anesthesie, komen aan de orde.Op de operatiekamer is het contact met de patiënt vaak van korte duur, terwijl de anesthesioloog op de intensive care en bij de chronische pijnbestrijding een langduriger contact met de patiënt heeft. Veel anesthesiologen hebben zich gespecialiseerd in de bestrijding van chronische pijn. De anesthesioloog speelt een cruciale rol bij reanimatiesituaties. Ook op deze onderwerpen wordt ingegaan.

Anesthesiologie is bestemd voor studenten geneeskunde, anesthesieverpleegkundigen en -technici en assistenten anesthesiologie en chirurgie. Het boek is geschreven door veertig anesthesiologen, allen werkzaam in één van de acht opleidingscentra voor anesthesiologie in Nederland.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Operatiekamercomplex, monitoring en apparatuur

Voorwerk

1. Het operatiekamercomplex

Per jaar wordt in Nederland meer dan een miljoen patiënten geopereerd, van wie 10-15% een spoedingreep ondergaat. Om de operaties veilig, kwalitatief hoogstaand en efficiënt te laten verlopen, is de organisatie rondom de operaties van cruciaal belang.
P. J. Hennis

2. Monitoring

Het woord monitoring is afgeleid van het Latijnse werkwoord monére, dat letterlijk ‘waarschuwen, vermanen’ betekent en in overdrachtelijke zin ‘letten op … met een speciaal doel’. Het lichaam geeft fysiologische signalen af die we direct met onze zintuigen kunnen waarnemen, bijvoorbeeld de kleur van de huid. Deze signalen geven slechts een indruk, dus een kwalificering en geen kwantificering. Een groot aantal signalen kunnen wij zelfs niet kwalitatief met onze zintuigen waarnemen. Hiervoor hebben we een systeem nodig dat het voor ons niet-waarneembare signaal omzet in een waarneembaar signaal. Zo kan de elektrische activiteit van het hart met behulp van elektroden en versterkers op een beeldscherm zichtbaar worden gemaakt. Met een transducer kan een kwalitatief signaal worden omgezet in een kwantitatief signaal. Een voorbeeld is de druktransducer, die een druk (die we met onze receptoren in de huid wel kwalitatief voelen maar niet kunnen kwantificeren) omzet in een elektrisch signaal, dat op een beeldscherm kwantitatief zichtbaar kan worden gemaakt. Apparatuur voor monitoring is dus niets anders dan een transducersysteem dat ons als het ware extra zintuigen geeft. De anesthesioloog, anesthesie-of PACU-medewerker blijft zelf de monitor.
C. Keijzer, J. J. de Lange

3. Apparatuur

In dit hoofdstuk wordt de apparatuur besproken die regelmatig door de anesthesioloog op een operatiekamer wordt gebruikt. Achtereenvolgens komen beademingsapparatuur, verwarmings- en infusieapparatuur en registratieapparatuur aan bod. Hoewel alle apparaten een of andere bewakingsfunctie hebben, worden de principes van specifieke bewakingsapparatuur in het hoofdstuk over monitoring besproken.
P. J. Hennis, J. J. de Lange

Tijdens anesthesie gebruikte farmaca

Voorwerk

4. Farmacologische basisprincipes

In de dagelijkse praktijk worden anesthetica gedoseerd op basis van een ruwe inschatting van de behoeften van de individuele patiënt. Deze inschatting is gefundeerd op een basaal begrip van de farmacokinetiek en -dynamiek van het gebruikte anestheticum en de patiëntvariabelen die hierop van invloed zijn. Een goede inschatting van de kinetiek en dynamiek in de individuele patiënt is van groot belang gezien de bijwerkingen van de meeste anesthetica. Onbedoeld lage anestheticaconcentraties kunnen tot nociceptie en/of ongewenst bewustzijn leiden tijdens de operatie, onbedoeld hoge anestheticaconcentraties kunnen aanleiding geven tot ongewenste cardiovasculaire of respiratoire depressie. Het doel van dit hoofdstuk ligt in de beschrijving en verduidelijking van de basale farmacokinetiek en -dynamiek zoals die van toepassing zijn op de klinische anesthesiologische praktijk.
J. Vuyk

5. Inhalatieanesthetica

Inhalatieanesthetica zijn de oudste synthetische farmaca die we nog steeds toepassen in de geneeskunde. Ether werd in 1600 door Paracelsus gesynthetiseerd uit zwavelzuur en alcohol. Hoewel hij het anesthetische effect ervan al bij kippen beschreef, heeft het officieel tot 1846 geduurd tot de toepassing door Morton bij de mens in het openbaar plaatsvond. Daarvoor, in 1832, was het overigens al gebruikt door Crawford Long, maar hij heeft dit nooit beschreven en er dan ook niet de eer voor gekregen. Toch wordt in de Verenigde Staten, als pleister op de wonde, ieder jaar ter ere van hem op 31 maart Doctor’s Day gevierd.
J. J. De Lange, C. Keijzer

6. Intraveneuze anesthetica

Zo’n honderd jaar nadat William T.G. Morton in 1846 voor het eerst ether als inhalatieanestheticum had toegepast, kwam in de jaren veertig van de vorige eeuw thiopental als eerste intraveneuze (i.v.) anestheticum op de markt. Ook nu nog wordt het met enige regelmaat gebruikt. De intraveneuze anesthetica hebben in de loop van de tijd een steeds belangrijkere plaats ingenomen, zowel voor inleiding als voor onderhoud van anesthesie. Hierbij speelt ook de vervuiling van het milieu door gas- en dampvormige anesthetica een rol.
A. M. Corstjens, J. M. K. H. Wierda

7. Opioïden en antagonisten

Opiumderivaten (opioïden) zoals morfine behoren tot op de dag van vandaag tot de meest gebruikte farmaca voor de behandeling van acute en chronische pijn. De pijnstillende eigenschappen van opium en opiumextracten zijn al bekend sinds de steentijd (4000 v. Chr.). In Soemerische (2000 v. Chr.) en Griekse geschriften werd het gebruik van de papaverbol op vaak lyrische wijze beschreven. In de bijbel wordt voor het eerst de link gelegd tussen anesthesie, analgesie en chirurgie (Genesis 2–21):
A. Dahan

8. Spierrelaxantia en antagonisten

Door de ontwikkeling van spierrelaxantia zijn de operatiecondities aanmerkelijk verbeterd. Spierrelaxantia zijn géén anesthetica en door hun effecten nemen zij de spontane ademhaling en de mate van spiertonus als indicatoren van anesthesiediepte weg.
T. T. T. Nguyen, J. M. K. H. Wierda

9. Lokale anesthetica

Het was de inwoners van Peru al lang bekend dat ze een gevoelloos mondslijmvlies kregen bij het kauwen op het blad van de cocaplant (Erythroxylon coca) om hun vermoeidheid te bestrijden en hun stemming te verbeteren. Dat het alkaloïde cocaïne hiervoor verantwoordelijk was, werd pas bekend na zuivering ervan in 1860 door Niemann en de eerste farmacologische onderzoekingen in 1880 door Von Anrep. Het jaar 1884 markeert de eerste klinische toepassing van cocaïne door de oogarts Koller te Wenen. Behalve de voordelen van cocaïne werden ook de nadelen (toxiciteit, korte werkingsduur, verslaving) snel duidelijk. Van de lokale anesthetica die kort daarop werden gesynthetiseerd is procaïne (Novocaïne®, 1905) de belangrijkste; het wordt nu nog beperkt gebruikt. Een andere belangrijke ontwikkeling zijn de synthese (1943) en het klinische gebruik (1947) van lidocaïne (Xylocaïne®). Dit lokale anestheticum heeft aan de basis gestaan van de nieuwe generatie amidetype lokale anesthetica zoals prilocaïne (Citanest®), klinisch in gebruik sinds 1963, bupivacaïne (Marcaine®), in gebruik sinds 1971 en ropivacaïne (Naropin®), geïntroduceerd in 1996.
J. W. van Kleef

10. Autonome zenuwstelsel beïnvloedende en aanverwante farmaca

Het autonome zenuwstelsel speelt een belangrijke rol in de regulatie van het fysiologisch evenwicht in het lichaam. In de perioperatieve periode wordt dit evenwicht in ernstige mate op de proef gesteld door allerlei prikkels. Het doel van de anesthesiologische zorg is om in deze periode het autonome zenuwstelsel dusdanig te moduleren, veelal met geneesmiddelen, dat een optimaal evenwicht en stabiliteit worden behouden. In dit hoofdstuk worden deze geneesmiddelen op beknopte wijze besproken.
P. M. H. J. Roekaerts

Basisprincipes van anesthesie en intraoperatieve problematiek

Voorwerk

11. Algehele anesthesie

De eerste geslaagde demonstratie van algehele anesthesie vond plaats op 16 oktober 1846. Een patiënt kreeg ether te inhaleren en kon hierna een operatieve ingreep ondergaan zonder deze bewust mee te maken (figuur 11.1). Tot na de Tweede Wereldoorlog waren er in Nederland slechts weinig artsen die zich louter met het geven van anesthesie bezighielden. Anesthesie werd gegeven onder verantwoordelijkheid van de chirurg. Vanaf 1946 werd de algehele anesthesie in Nederland gemoderniseerd en werd er routinematig gebruikgemaakt van endotracheale intubatie en curare als spierrelaxans. Sindsdien is er veel gebeurd op het gebied van farmacologie, bewaking en beademing en is de anesthesiologie uitgegroeid tot een zelfstandig specialisme. De hoge vlucht die de chirurgie na de Tweede Wereldoorlog heeft genomen is voor een groot deel hieraan te danken (figuur 11.2). De moderne algehele anesthesie heeft tot doel het veilig en efficiënt kunnen uitvoeren van chirurgische of diagnostische ingrepen. Hiervoor zijn drie principes onontbeerlijk:
  • bewustzijnsverlies c.q. slaap;
  • pijnstilling;
  • het niet of verminderd reageren op chirurgische stimuli.
M. H. Yntema-Kalff, J. M. K. H. Wierda

12. Locoregionale anesthesie

Bij lokale anesthesietechnieken worden onderscheiden: oppervlakteanesthesie aan huid en slijmvliezen (ogen, neus) en intradermale en infiltratieanesthesie. Bij regionale anesthesie wordt onderscheid gemaakt tussen perifere, centrale en autonome blokkadetechnieken. De meest gebruikte locoregionale anesthesietechnieken worden in dit hoofdstuk besproken. Ook wordt aandacht besteed aan de recentere techniek van echogeleide zenuwblokkade.
J. W. van Kleef

13. Sedatie

Bij sedatie wordt met geneesmiddelen het bewustzijn zodanig verlaagd dat de patiënt een onaangename procedure, bijvoorbeeld een endoscopie, beter kan verdragen. Bij sedatie op de intensive care is het doel om de patiënt de beademing te laten verdragen zonder tegenademen, onrust of hoesten. Bij sedatie voor diagnostische of therapeutische ingrepen is een ander belangrijk doel om de voor de behandelaar optimale werkcondities te verkrijgen, bijvoorbeeld het voorkomen van onrust of kokhalzen tijdens endoscopieën. Gedurende de sedatie moet de mogelijkheid tot communicatie met de patiënt behouden blijven en wel zodanig dat de patiënt gedurende de gehele periode op aanspreken kan reageren; alleen dan blijven de zelfbeschermende reflexen en vitale functies behouden. Zo niet, dan is er sprake van algehele anesthesie: een door medicamenten veroorzaakt bewustzijnsverlies waarbij de patiënt niet wekbaar is, zelfs niet na een sterke pijnprikkel. Tijdens anesthesie is de ademhaling vaak belemmerd en zijn de beschermende luchtwegreflexen verloren gegaan. Om een vrije ademweg te behouden zijn hulpmiddelen nodig en kan beademing noodzakelijk zijn wegens medicamenteuze ademdepressie of spierrelaxatie. Ook de circulatie kan onderdrukt zijn. Vanwege het inherente risico is het toedienen van anesthesie voorbehouden aan anesthesiologen. Analgesie is een toestand van pijnloosheid door perifeer of centraal aangrijpende analgetica.
C. J. Kalkman

14. Luchtwegmanagement

Een moeilijke luchtweg is volgens de ASA (American Society of Anesthesiologists) Task Force on Airway Management: ‘The clinical situation in which a conventionally trained anesthesia practitioner experiences difficulty with mask ventilation, difficulty with tracheal intubation, or both’.
G. B. Eindhoven

15. Intraoperatief vochtbeleid

In dit hoofdstuk worden de verdeling en de samenstelling van lichaamsvloeistoffen over het intra- en extracellulaire volume en de verschillen in elektrolytenconcentratie besproken. De begrippen osmolariteit, osmolaliteit en oncotische druk worden toegelicht. De reden waarom patiënten gedurende een bepaalde periode voor de operatie nuchter gehouden moeten worden wordt uiteengezet. Indien er voor een operatie vocht- of elektrolytentekorten bestaan, dienen deze te worden aangevuld met kristalloïde of colloïdale vloeistoffen; de samenstelling en indicaties van deze vloeistoffen worden toegelicht.
P. J. Hennis

16. Transfusiebeleid

Anesthesiologen en hematologen zijn in Nederland de grootste voorschrijvers van bloedproducten. Omdat het inzicht in de veiligheid en de indicaties voor bloedproducten de laatste jaren sterk is gewijzigd en omdat er nog steeds grote verschillen in voorschrijfgedrag bestaan tussen artsen en tussen ziekenhuizen, is het belangrijk om dit voorschrijfgedrag te harmoniseren. Up-to-date kennis over de ontwikkelingen in de transfusiegeneeskunde is daarom belangrijk.
J. T. A. Knape

Preoperatieve screening

Voorwerk

17. Grondbeginselen van de preoperatieve screening

De complicaties die als gevolg van anesthesie kunnen optreden, worden sterk bepaald door de preoperatieve lichamelijke en geestelijke conditie van de patiënt. Het vaststellen en waar mogelijk verbeteren van de conditie, het vaststellen van het anesthesie- en operatierisico en het verminderen van de perioperatieve mortaliteit en morbiditeit zijn dan ook de voornaamste doelstellingen van het preoperatieve onderzoek. Preoperatief onderzoek heeft dus zeker niet ten doel een algemene screening van de gezondheidstoestand van de bevolking te doen, maar moet gericht zijn op het specifieke individuele perioperatieve risico. Omdat de anesthesioloog degene is die moet beslissen of en welke vorm van anesthesie aan de patiënt gegeven kan worden, is hij/zij ook degene die verantwoordelijk is voor het preoperatieve onderzoek.
L. H. D. J. Booij

18. De patiënt met een aandoening van het centrale zenuwstelsel

In dit hoofdstuk worden besproken: de (patho) fysiologie van neurologische aandoeningen die chirurgisch ingrijpen vereisen, de preoperatieve voorbereiding en specifieke aspecten van neurochirurgische ingrepen.
J. E. Kruijswijk, C. J. Kalkman

19. De cardiaal belaste patiënt

Van de patiënten die niet-cardiale chirurgie ondergaan, krijgt 2 tot 5% perioperatief cardiale complicaties. Een aantal condities gaat gepaard met een grotere kans op cardiale complicaties (tabel 19.1). Patiënten met een cardiale aandoening, diabetes mellitus, nierfalen, patiënten ouder dan 65 jaar en patiënten die grote chirurgische ingrepen ondergaan vormen de belangrijkste risicogroep. Cardiale complicaties gaan gepaard met een langere ziekenhuisopname en meer kosten en een mortaliteit die kan variëren tussen 10 en 60%. De meeste cardiale complicaties treden op in de vroege postoperatieve periode. Bij meer dan 100.000 patiënten die grote niet-cardiale chirurgie hadden ondergaan en bij wie cardiale complicaties optraden, was de mortaliteit binnen 30 dagen 57,9%, na één jaar 70,5% en na vijf jaar 85,2%. Bij een vergelijkbare patiëntengroep zonder perioperatieve cardiale complicaties waren deze percentages respectievelijk 1,9, 9,5 en 41,9. De behandeling van patiënten met een verhoogd cardiaal risico vereist nauwe samenwerking tussen cardioloog, chirurg en anesthesioloog. Het beleid zal in eerste instantie gericht zijn op preventie.
J. Damen

20. De patiënt met hypertensie

Met het ouder worden stijgt de systolische bloeddruk (SBP), maar de diastolische bloeddruk (DBP) bereikt een plateauwaarde op de leeftijd van 50–60 jaar. Hierna daalt de DBP weer, waardoor de polsdruk toeneemt. Boven de leeftijd van 50 jaar is systolische hypertensie de meest voorkomende vorm van hypertensie.
J. Damen

21. De pulmonaal belaste patiënt

Pulmonale complicaties gepaard gaande met hypoxemie en hypercarbie, bijvoorbeeld als gevolg van een atelectase of een pneumonie, kunnen gemakkelijk optreden tijdens en na operaties. Het herstel van de patiënt wordt erdoor vertraagd en zelfs kunnen deze complicaties bijdragen aan het overlijden van een patiënt.
R. M. J. Wesselink

22. De patiënt met een nierfunctiestoornis

De anesthesioloog wordt frequent geconfronteerd met patiënten met een nierfunctiestoornis. De stoornis kan lang bestaand zijn en dialyse vereisen, maar zich ook uiten als een oligurie als complicatie van een recente aandoening of tijdens een chirurgische ingreep. De nierfunctie bepaalt mede het anesthesiebeleid; door hierop te anticiperen kan de anesthesioloog renale schade voorkomen of beperken. Hiervoor is grondige kennis van de pathofysiologische mechanismen van nierfunctiestoornissen noodzakelijk.
J. A. Leusink

23. De patiënt met een leverfunctiestoornis

In dit hoofdstuk zullen de functies van de lever worden besproken. Daarnaast komen de specifieke problemen bij patiënten met leverfunctiestoornissen aan de orde. Ook wordt het classificatiesysteem volgens Child Pugh besproken, dat voor risico-inschatting bij cirrosepatiënten wordt gebruikt.
T. H. N. Groenland

24. De patiënt met een endocriene stoornis

In dit hoofdstuk ligt de nadruk op de preoperatieve evaluatie van patiënten die een endocriene stoornis hebben en een operatieve ingreep moeten ondergaan. De meest voorkomende stoornissen worden behandeld: diabetes mellitus, stoornissen ten gevolge van corticosteroïdgebruik en schildklieraandoeningen.
P. J. Hennis

25. Infectieproblematiek

De overdracht van micro-organismen kan plaatsvinden van personeel op patiënt, van apparatuur op patiënt en vice versa. Er moeten hoge eisen worden gesteld aan een schone werkomgeving. Hiertoe behoort het schoonmaken van gecontamineerde oppervlakken van onder andere anesthesieapparatuur, vloeren en wanden van de operatiekamer en de operatietafel. Bij iedere wisseling van patiënten en bij eventuele contaminatie dienen de handen te worden gewassen met water en zeep en gedesinfecteerd chloorhexidi-ne-alcohol. Dit dient ook na het uittrekken van beschermende handschoenen te gebeuren.
M. Tersmette, J. A. Leusink

26. Aan anesthesie gerelateerde ziektebeelden

Het enige ziektebeeld dat aan anesthesie is gerelateerd en in andere omstandigheden niet voorkomt is maligne hyperthermie (MH). Er zijn aanwijzingen dat MH ook kan voorkomen onder omstandigheden van extreme stress. Dit is het geval bij varkens (porcine stress syndrome), paarden en honden en bij in het wild voorkomende dieren zoals beren en herten in Noord-Amerika en Afrika. Deze dieren komen in een katatone toestand met spierrigiditeit en hyperthermie en overlijden meestal. Bij de mens zijn geen gevallen beschreven.
L. H. D. J. Booij

27. De oudere patiënt met meerdere aandoeningen

Ouder worden gaat gepaard met een geleidelijke achteruitgang van orgaanfuncties. Daarnaast is er bij oudere mensen meer comorbiditeit dan bij jongeren. De oudere patiënt gebruikt meer medicamenten dan een jongere en de processen van farmacokinetiek en farmacodynamiek verlopen anders. De kans is groter op bijwerkingen en interacties tussen medicamenten met een onbedoeld of ongewenst effect zoals postoperatief delier, vallen of een bloeding. De veranderingen die bij veroudering optreden, moeten voor de operatie zorgvuldig in kaart worden gebracht om de anesthesie en de postoperatieve zorg correct te laten plaatsvinden.
P. J. Hennis

Speciële anesthesie

Voorwerk

28. Anesthesie bij hoofd- en halschirurgie

In dit hoofdstuk wordt de anesthesie behandeld bij operaties in het hoofd- en halsgebied: oogchirurgie, kno-chirurgie en kaakchirurgie.
J. E. Kruijswijk, C. J. Kalkman

29. Anesthesie bij abdominale chirurgie

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende vragen. Hoe bevorderen we bij buikoperaties de gezondheid van de patiënt en faciliteren we de ingreep? Hoe houden we de integriteit van de vitale lichaamsfuncties intact? Hoe uitgebreid is de bewaking van de patiënt? Welke technieken passen we toe om na de ingreep pijn te bestrijden? Met welke complicaties moeten we rekening houden? Als voorbeelden voor algemene chirurgie zal nader worden ingegaan op een laparoscopische verwijdering van de galblaas, een leverresectie en een liesbreukoperatie. Zo kunnen bij een laparoscopische verwijdering van de galblaas bij insufflatie van CO2 lucht- of CO2-embolieën optreden en hemodynamische en pulmonale problemen ontstaan. Een leverresectie vereist naast een algehele een epidurale anesthesietechniek. Deze grote ingreep illustreert de problematiek van vocht- en bloedtoediening. Viscerale en somatische pijn en complicaties, zoals een intra-abdominale infectie en sepsis, worden besproken. Voor een reoperatie gelden preoperatief soms andere overwegingen dan voor een eerste ingreep, zoals een rapid-sequence induction bij een nietnuchtere patiënt. Ten slotte wordt een liesbreukcorrectie onder spinale anesthesie beschreven.
P. J. Hennis

30. Anesthesie bij urologische ingrepen

Het merendeel van de urologische patiënten is of erg jong, of oud en ondergaat een scala van grote en kleine operaties. Bij jongeren gaat het vaak om aangeboren afwijkingen, bij ouderen om blaas- en prostaatproblematiek. Bij de oudere patiënten is er meestal sprake van comorbiditeit. Een bijzondere groep van patiënten is die met een dwarslaesie met secundair urologische pathologie. Als gevolg van de ruggenmergbeschadiging bestaat er bij hen een autonome hyperreflexie. Voor veel urologische ingrepen kan zowel een algehele als een locoregionale anesthesie worden toegediend. Ingrepen in de urologie vinden plaats in rugligging, zijligging en lithotomiepositie. Elk daarvan heeft zijn eigen fysiologische consequenties en complicaties. Er wordt bij endoscopische urologische ingrepen nogal eens en in ruime mate gebruikgemaakt van spoelvloeistoffen. Deze kunnen niet alleen worden geabsorbeerd en overvullingverschijnselen veroorzaken, maar ook bijdragen aan sterke afkoeling en het optreden van hypothermie. Bij laparoscopische ingrepen wordt een pneumoperitoneum aangelegd dat eveneens voor complicaties verantwoordelijk kan zijn. Vanwege de aard en de duur van de ingreep en de conditie van de patiënt, is voor een deel van de patiënten na de ingreep opname op een intensive care noodzakelijk.
L. H. D. J. Booij

31. Anesthesie bij de partus en bij obstetrische en gynaecologische ingrepen

Veel obstetrische en gynaecologische ingrepen worden uitgevoerd onder een vorm van anesthesie. De obstetrische ingrepen vinden plaats op de verloskamer (analgesie tijdens de normale partus) of op de operatiekamer (anesthesie bij sectio caesarea).
J. W. van Kleef

32. Anesthesie bij orthopedische chirurgie

Orthopedische chirurgie is meestal electief. Daardoor is een planmatige aanpak met een tijdige start van het preoperatieve traject mogelijk. Bij voorkeur vindt het preoperatieve onderzoek vier weken voor grote ingrepen (zoals heupof kniegewrichtvervangende operaties, grote wervelkolomchirurgie) plaats, zodat er voldoende tijd is voor autologe predonatie en/of behandeling van een anemie. Bij de overwegend oudere patiëntengroep geeft tijdige analyse van de gezondheidstoestand de mogelijkheid om medicatie (bij) te regelen. Onnodige risico’s en uitval van geplande programma’s worden daarmee voorkomen. Het anesthesieplan richt zich van meet af aan op agressieve postoperatieve pijnbestrijding, waarmee de revalidatie versnelt en de gewrichtsfunctie beter is. Een operatie aan het bewegingsapparaat is pijnlijk, daarom worden waar mogelijk locoregionale anesthesietechnieken toegepast.
R. Dirksen

33. Anesthesie bij plastische en reconstructieve chirurgie

Plastische en reconstructieve chirurgische ingrepen kunnen vanwege een scala aan indicaties verricht worden. Zo verricht de plastisch chirurg reconstructies na mutilerende oncologische ingrepen of na traumatische beschadiging. Maar ook cosmetische plastisch-chirurgische ingrepen worden gedaan op verzoek van de patiënt. Beide categorieën worden in dit hoofdstuk behandeld en de anesthesiologische implicaties worden aangegeven.
N. Hoogerwerf

34. Anesthesie bij zuigelingen

Zuigelingen stellen grote uitdagingen aan medici omdat ze andere anatomische, fysiologische en pathologische kenmerken vertonen dan kinderen en volwassenen. Ook hebben ze andere anesthesiologische en farmacologische behoeften: een zuigeling is niet ‘iets kleiner en minder’ dan een kind of een volwassene. Men spreekt bij zuigelingen respectievelijk over:
P. M. Vermeulen

35. Anesthesie bij kinderen

Toediening van anesthesie aan kinderen vereist niet alleen kennis van de zich ontwikkelende anatomie en fysiologie, maar ook vaardigheden die specifiek zijn voor de leeftijd. Omdat het onmogelijk is om in één hoofdstuk alle principes van anesthesievoering van neonaat tot adolescent te behandelen, wordt alleen de pediatrische populatie in de perifere praktijk besproken: kinderen van één maand post à terme en ouder. Een aantal aspecten wordt uitvoeriger besproken in de hoofdstukken 34 en 50.
A. Veen, R. Nijholt

36. Anesthesie bij ingrepen in dagbehandeling

Dagbehandeling laat zich omschrijven als:
  • een opname van hooguit veertien uur waarin een therapeutische of diagnostische ingreep plaatsvindt;
  • de ingreep wordt al dan niet onder een vorm van anesthesie verricht;
  • ontslag vindt op dezelfde dag plaats;
  • de behandeling wordt op een gespecialiseerde afdeling in het ziekenhuis of in een aparte (privé)kliniek uitgevoerd;
  • de logistiek is geheel gericht op opnemen, opereren, verplegen en ontslaan van de patiënt binnen de genoemde tijd.
J. H. Eshuis

37. Anesthesie buiten het operatiekamercomplex

Diverse ingrepen worden verricht buiten het reguliere operatiekamercomplex (OK-complex). Het aantal procedures waarvoor anesthesie nodig is, blijkt de laatste jaren in volume toe te nemen. In de Angelsaksische literatuur wordt gesproken over non-operating-room anesthesia: anesthesie buiten het operatiekamercomplex. De toename wordt enerzijds veroorzaakt door een verschuiving van open procedures naar minimaal invasieve technieken, anderzijds neemt het aantal invasieve diagnostische procedures toe. Anesthesiologische ondersteuning is nodig voor immobilisatie en/of sedatie, angstreductie en analgesie. De patiëntengroep betreft zowel kinderen als volwassenen.
H. E. M. Kerkkamp, P. J. Hennis

38. Anesthesie bij patiënten met traumata en brandwonden

Bij de opvang van traumapatiënten vervult de anesthesioloog verschillende rollen: in de prehospitale fase als lid van het mobiel medisch team (MMT), als specialist die de vitale functies waarborgt op de afdeling spoedeisende hulp (SEH) en op de operatiekamer (OK), als intensivist op de intensive care en ten slotte als pijnbestrijder bij het verzorgen van de complexe pijnbestrijding tijdens de revalidatie.
J. J. L. M. Bierens, S. Greuters

39. Neuroanesthesie

Bij de neurochirurgische patiënt staat voorop dat secundaire cerebrale schade wordt voorkomen. Er moet dus gezorgd worden voor een optimale cerebrale perfusie en oxygenatie en voor het vermijden van verdere hersenzwelling. Voor een beschrijving van de (patho)fysiologie wordt verwezen naar hoofdstuk.
J. E. Kruijswijk, C. J. Kalkman

40. Anesthesie bij vaatchirurgie

Patiënten die vaatchirurgie ondergaan hebben meestal een gegeneraliseerde vaataandoening, hypertensie, COPD en diabetes mellitus; bij 40-80% treft men ook coronairlijden aan.
H. P. A. van Dongen

41. Anesthesie bij thoraxchirurgie

In dit hoofdstuk worden de specifieke anesthesiologische aspecten besproken die van belang zijn bij diagnostische en therapeutische intrathoracale (niet-cardiale) ingrepen.
L. J. Hoogenboom

42. Cardioanesthesie

Cardioanesthesie is het deelgebied van de anesthesie bij ingrepen aan het hart of de grote vaten verbonden aan het hart. Specifiek voor het deelgebied is kennis van de pathofysiologie en ziekten van het hart in combinatie met kennis van de technische mogelijkheden om de circulatie van de patiënt tijdelijk over te nemen. In Nederland worden jaarlijks ongeveer 15.000 ingrepen uitgevoerd. Een klein deel van de ingrepen wordt verricht bij pasgeborenen en kinderen met congenitale afwijkingen die soms snelle interventie vereisen. De meeste ingrepen worden uitgevoerd bij oudere patiënten met degeneratieve aandoeningen, die veelal in de zesde of zevende decade geopereerd worden.
L. J. Bras

43. Anesthesie bij de getransplanteerde patiënt en ten behoeve van orgaantransplantaties

Als gevolg van vooruitgang in de behandeling van eindstadium orgaanfalen, chirurgische technieken en immunosuppressieve therapie, neemt het aantal geschikte kandidaten voor transplantatiechirurgie toe. De Wet op de orgaandonatie beoogt een eerlijke verdeling van donororganen onder alle transplantatiekandidaten. Nederland wordt daardoor beschouwd als één regio, met één wachtlijst, waarbij op verschillende locaties wordt getransplanteerd. In 2004 werden in Nederland ruim 600 postmortale orgaantransplantaties uitgevoerd, waarvan ongeveer 400 nier-, 100 lever-, 30 hart- en 50 longtransplantaties. Transplantaties met levende donoren betreffen bijna uitsluitend niertransplantaties, waarvan er 250 werden uitgevoerd. In sommige gevallen zullen getransplanteerde patiënten operaties nodig hebben die al dan niet aan hun transplantatie zijn gerelateerd. Aangezien deze operaties ook in ziekenhuizen zonder transplantatieprogramma worden uitgevoerd, is het belangrijk vertrouwd te zijn met de specifieke aspecten van het perioperatieve management van deze patiënten.
J. van der Maaten

Postoperatieve zorg

Voorwerk

44. Post anesthesia care unit (PACU)

De verkoeverkamer (oud-Nederlands; vercoeveren = zich herstellen) wordt ook wel aangeduid als uitslaapkamer. Tegenwoordig wordt daarnaast de afkorting PACU (post anesthesia care unit) gebruikt.
M. J. L. Bucx

45. Intensive care

In dit hoofdstuk worden de criteria voor opname op de intensivecareafdeling (IC) en de indeling van de verschillende niveaus van IC-afdelingen in Nederland behandeld. Tevens wordt aangegeven hoe de intensivecaregeneeskunde in Nederland georganiseerd is en hoe een IC-afdeling gestructureerd kan worden.
G. J. Scheffer

Pijnbestrijding

Voorwerk

46. Acute postoperatieve pijnbestrijding

Postoperatief komen pijn, misselijkheid en braken nog vaak voor, terwijl adequate behandeling ervan goed mogelijk is. In dit hoofdstuk komen de volgende onderwerpen aan bod: pathofysiologie van pijn, meting van pijn, organisatie van bestrijding van acute postoperatieve pijn, gebruik van medicatie, locoregionale technieken en pijnalgoritmes.
A. A. J. van Zundert

47. Chronische medicamenteuze pijnbestrijding

In dit hoofdstuk worden de karakteristieken van acute en chronische pijn besproken. De nadruk ligt op de medicamenteuze behandeling van diverse chronische pijnsyndromen.
W. W. A. Zuurmond

48. Chronische pijnbehandeling: invasieve behandelingen en andere mogelijkheden

In de praktijk van alledag wordt pijn vaak gezien als een begeleidend symptoom van een ziekte of aandoening die een groot deel van de aandacht vraagt van de behandelend arts. Pijnbestrijding was en is voor menig arts van secundair belang. Voor de anesthesiologie ligt dit wezenlijk anders. Dit vak richt zich primair op symptomen, zoals pijn, bewustzijn, mate van spierrelaxatie, bewaking van vitale functies en andere fysiologische parameters. De anesthesiologie is dus bij uitstek het specialisme waar de behandeling van zowel acute als chronische pijn verder ontwikkeld kan worden.
B. J. P. Crul

Reanimatie

Voorwerk

49. Reanimatie

Onder reanimatie verstaat men het totaal van handelingen en beslissingen bij een circulatie- en/of ademstilstand, bedoeld om schade aan de hersenen en andere organen te voorkomen en vitale functies zo snel mogelijk te laten herstellen.
R. G. Hoff, P. J. Hennis

50. Reanimatie van kinderen, zuigelingen en pasgeborenen

Nieuwe inzichten en onderzoeksdata zorgen voor periodieke herzieningen van de reanimatierichtlijnen door de European Resuscitation Council (ERC). Eenduidigheid en simplificering bevorderen de efficiëntie van de hulpverlening. Wetenschappelijk reanimatieonderzoek bij kinderen is beperkt: veel gegevens worden ontleend aan onderzoek bij volwassenen. Men onderscheidt drie leeftijdscategorieën:
P. M. Vermeulen

Nawerk

Meer informatie