Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

A. Rijnberk Anamnese en lichamelijk onderzoek zijn de me- verklaring van dit probleem wordt een theorie (een thoden waarmee een dierenarts bij de uitoefening hypothese) gecreëerd. Uit deze theorie worden van zijn beroep in eerste instantie een probleem door deductie zo riskant mogelijke voorspell- benadert dat door een eigenaar van een dier wordt gen afgeleid en deze worden door waarneming en aangedragen. De hiermee verkregen informatie experiment getoetst. Stemmen de resultaten ov- bepaalt de aanpak van het probleem en is ook het een met de voorspellingen, dan wordt de theorie belangrijkste richtsnoer bij het verdere beleid. Dit voorlopig als beste benadering van de objectieve laatste is niet alleen de op ervaring gestoelde opvat- waarheid aanvaard. Kloppen de resultaten niet met ting van clinici, maar recent ook gedocumenteerd de voorspellingen, dan deugt de theorie niet (= - bij humane patiënten. Bij 26 van de 100 patiënten falsi? ceerd) en moet deze worden verworpen. Dan resulteerde (herhaling van een grondig) lichamelijk wordt opnieuw het probleem gede? nieerd en moet onderzoek in een cruciale ommezwaai van dia- een nieuwe theorie worden ontwikkeld (afb. 1. 1). 1 gnose en behandeling. Speci? eke toepassingen van biochemische en bio- De kernvraag in de wetenschap is dus niet hoe de fysische beginselen hebben de mogelijkheden voor (waarschijnlijke) waarheid het best gefundeerd kan bijvoorbeeld laboratoriumdiagnostiek en diagnos- worden, maar hoe onwaarheid zo goed mogelijk tische beeldvorming enorm verruimd. Toch blijven ontmaskerd en geëlimineerd kan worden.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Inleiding

Abstract
Anamnese en lichamelijk onderzoek zijn de methoden waarmee een dierenarts bij de uitoefening van zijn beroep in eerste instantie een probleem benadert dat door een eigenaar van een dier wordt aangedragen. De hiermee verkregen informatie bepaalt de aanpak van het probleem en is ook het belangrijkste richtsnoer bij het verdere beleid. Dit laatste is niet alleen de op ervaring gestoelde opvatting van clinici, maar recent ook gedocumenteerd bij humane patiënten.
A. Rijnberk

2. Verantwoording van de opzet

Abstract
Dit boek is bedoeld voor studenten in de diergeneeskunde en dierenartsen die zich richten op de geneeskunde van het gezelschapsdier. Het is afgestemd op het beroepsprofi el van de dierenarts voor gezelschapsdieren. Dit profi el is nader omschreven als eerstelijns diergeneeskunde in een praktijk waarin een of meer dierenartsen overwegend gezelschapsdieren behandelen. De beschrijving van de onderzoekmethoden blijft in dit boek beperkt tot de methoden die een dierenarts – voornamelijk werkzaam op het gebied van de gezelschapsdieren – geacht wordt toe te passen.
A. Rijnberk, F.J. van Sluijs

3. Enkele begrippen en een inleiding tot het diagnostisch proces

Abstract
Van standaardisatie van de terminologie die gebruikt wordt bij het lichamelijk onderzoek, is veelal geen sprake. Integendeel, de termen voor de beschrijving van waarnemingen variëren per leerboek. Op enkele in de kliniek belangrijke begrippen, waarover nogal eens verwarring ontstaat, wordt hieronder ingegaan.
A. Rijnberk, E. Teske

4. Methoden en instrumenten

Abstract
Het lichamelijk onderzoek geschiedt door zintuiglijke waarnemingen, waarbij soms het waarnemingsvermogen wordt vergroot door gebruik te maken van instrumenten. In dit hoofdstuk komt enige basisinformatie aan de orde over de methoden die bij deze zintuiglijke waarnemingen worden gebruikt.
A. Rijnberk, W.E. van den Brom

5. Medische registratie

Abstract
In iedere praktijk hoort een administratiesysteem aanwezig te zijn waarmee gegevens van patiënt en eigenaar kunnen worden verzameld, en dat zodanig is georganiseerd dat deze gegevens op elk gewenst moment ter beschikking staan van de behandelende dierenarts(en) en andere rechtmatig belanghebbenden.
F.J. van Sluijs, J.J. van Nes

6. Anamnese

Abstract
Het ziekteverhaal of de anamnese wordt verkregen door een vraaggesprek met de eigenaar of begeleider van de patiënt. Naast de vergaring van specifi eke informatie over de reden van het bezoek (het iatro tro pe probleem), heeft het vraaggesprek ook tot doel meer algemene informatie te verkrijgen over het functioneren van de patiënt, over de omgeving waarin het dier leeft en over de voorgeschiedenis.
A. Rijnberk

7. Algemene indruk

Abstract
De algemene indruk is een visuele en auditieve beoordeling van de patiënt op afstand. Dit onderzoek wordt verricht met het doel in betrekkelijk korte tijd informatie te verzamelen die het mogelijk maakt om – in samenhang met de anamnestische gegevens – een keus te maken ten aanzien van het verdere verloop van het onderzoek.
A. Rijnberk

8. Algemeen onderzoek

Abstract
Het algemeen onderzoek is een voornamelijk visueel en manueel onderzoek dat erop gericht is (in betrekkelijk korte tijd) informatie te verzamelen die het mogelijk maakt om – in samenhang met het signalement en de bevindingen bij anamnese en algemene indruk – de probleemformulering toe te spitsen en de inhoud van het verdere onderzoek vast te stellen.
A. Rijnberk, A.A Stokhof

9. Respiratieapparaat

Abstract
Indien het ziftende onderzoek heeft geleid tot een probleemformulering en een diagnostisch plan dat onderzoek van (delen van) het respiratieapparaat omvat, wordt begonnen met een verdere toespitsing van de anamnese. De tweede stap zou de observatie van adembewegingen kunnen zijn, wat echter meestal reeds bij het algemeen onderzoek zal hebben plaatsgevonden.
A.A. Stokhof, A.J. Venker-van Haagen

10. Circulatieapparaat

Abstract
Het circulatieapparaat kan alleen optimaal functioneren wanneer zowel de lymfstroom als de circulatie van het bloed adequaat verloopt. Het onderzoek van het lymfsysteem, vooral door onderzoek van de lymfknopen, is in hoofdstuk 8 aan de orde geweest.
A.A. Stokhof, A. De Rick

11. Digestieapparaat

Abstract
Naast de in de algemene anamnese (hoofdstuk 6) genoemde verschijnselen zoals dysfagie (belemmering of onmogelijkheid van het slikken), braken, afwijkende ontlasting en gestoorde defecatie, kunnen nog verscheidene andere verschijnselen voortkomen uit een afwijking in het digestieapparaat. Deze komen in de hieronder volgende specifi eke anamnese aan de orde.
J. Rothuizen, E. Schrauwen, L.F.H. Theyse, L. Verhaert

12. Nieren en urinewegen

Abstract
De functies van de nieren en van de urinewegen hangen nauw met elkaar samen, maar verschillen toch sterk van elkaar. De nieren vervullen een belangrijke rol bij de handhaving van de homeostase. Door de productie van urine worden eindproducten van de stofwisseling geëlimineerd en wordt de samenstelling van de extracellulaire vloeistof binnen nauwe grenzen gehandhaafd.
H.F. L’Eplattenier, A.M. van Dongen

13. Vrouwelijk geslachtsapparaat

Abstract
Een belangrijk gegeven ten aanzien van het onderzoek van het vrouwelijk geslachtsapparaat is dat de toestand van dit orgaansysteem, evenals soms het gedrag van het dier, sterk afhankelijk is van het stadium van de voortplanting (oestrische cyclus, anoestrus, graviditeit, partus, puerperium).
A.C. Schaefers-Okkens, H.S. Kooistra

14. Mannelijk geslachtsapparaat

Abstract
De aanleiding tot een onderzoek van het mannelijk geslachtsapparaat wordt meestal gevormd door verminderde vruchtbaarheid of door zichtbare afwijkingen van de geslachtsorganen. Daarnaast wordt steeds vaker voorafgaande aan een (eerste) dekking door een reu een onderzoek uitgevoerd van de geslachtsorganen en het sperma.
J. de Gier, F.J. van Sluijs

15. Vacht, huid en nagels

Abstract
Zoals in hoofdstuk 8 reeds gezegd fungeert de huid als een anatomische en fysiologische barrière tussen het dierlijk lichaam en de omgeving. De huid biedt bescherming tegen fysische, chemische en microbiologische invloeden en stelt het dier tevens in staat om temperatuurverschillen, pijn en sensibiliteit te registreren.
M.A. Wisselink, J. Declercq, T. Willemse

16. Melkklieren

Abstract
Bij het onderzoek van de melkklieren moeten anamnese en lichamelijk onderzoek verder reiken dan alleen dit klierweefsel. Doordat zowel de vorm als de functie van de melkklieren sterk afhankelijk is van het stadium van de oestrische cyclus, moet ook dit in beschouwing worden genomen.
G.R. Rutteman, E. Teske

17. Locomotieapparaat

Abstract
Het locomotieapparaat kan onder meer verdeeld worden in een ab-axiaal en een axiaal deel. Tot het ab-axiale deel worden de anatomische structuren van de extremiteiten gerekend: beenderen (o.a. diafysen, epi- en apofysen, groeischijven, metafysen, sesambeenderen), gewrichten (met o.a. menisci), pezen, ligamenten en spieren. Dit deel van het locomotieapparaat verleent steun (en bescherming) en biedt de mogelijkheid tot staan en voortbewegen.
H.A.W. Hazewinkel, B.P. Meij, L.F.H. Theyse, B. van Rijssen

18. Zenuwstelsel

Abstract
Het zenuwstelsel is een complex meet- en regelsysteem dat via sensorische componenten informatie ontvangt, opslaat en verwerkt (integratiecomponent) en informatie genereert waarmee via motorische componenten de effectoren worden aangestuurd. Het zenuwstelsel fungeert als sterk interactief communicatienetwerk dat vrijwel alle orgaansystemen beïnvloedt en bijdraagt aan de regulatie van het ‘interne milieu’.
J.J. van Nes, B.P. Meij, L. van Ham

19. Ogen

Abstract
Dieren met oogproblemen worden meestal sterk gericht aangeboden, zonder veel bijkomende problematiek. Na opnemen van de ziektegeschiedenis is het vaak al duidelijk dat het om een oogprobleem gaat. Bij het onderdeel signalement verdient het ras speciale aandacht, omdat veel oogafwijkingen een raspredispositie kennen of erfelijk zijn.
M.H. Boevé, F.C. Stades, S.C. Djajadiningrat-Laanen

20. Oren

Abstract
Het onderzoek van het oor omvat onderzoek van de oorschelp, de gehoorgang, het trommelvlies, het middenoor en het binnenoor of labyrint. Zowel bij afwijkingen aan één oor als bij afwijkingen aan beide oren zal de anamnese meestal direct het probleem lokaliseren. Soms zijn afwijkingen aan de oren een onderdeel van gegeneraliseerde afwijkingen (bijvoorbeeld huidziekten) of aanleiding tot gegeneraliseerde ziekteverschijnselen.
A.J. Venker-van Haagen

21. Endocriene klieren

Abstract
De endocriene klieren zijn betrokken bij de regulatie van de functie van vrijwel alle orgaansystemen. Functiestoornissen van endocriene klieren hebben dan ook vaak gevolgen voor meer dan één orgaansysteem en daarmee voor het functioneren van het dier als geheel.
A. Rijnberk, H.S. Kooistra

22. Gedragsproblemen

Abstract
Gedragsproblemen vereisen een andere benadering dan somatische afwijkingen. In het laatste geval bestaat het onderzoek ten minste uit anamnese, algemene indruk en algemeen onderzoek. Bij gedragspatiënten is het meestal niet nodig een lichamelijk onderzoek uit te voeren. Dat wordt alleen dan gedaan als het consult er aanleiding toe geeft.
M.B.H. Schilder, B.W. Knol

23. Spoed

Abstract
Acuut zieke of gewonde patiënten moeten snel en effi ciënt worden onderzocht, omdat er sprake kan zijn van een levens- of orgaanbedreigende aandoening. Snelle hulp kan de kans op morbiditeit en sterfte belangrijk verminderen. In de traumatologie spreekt men van ‘het gouden uur’.
J.H. Robben, F.J. van Sluijs

24. Houdingen en fixatiemethoden

Abstract
In de paragraaf over de omgang met de patiënt (§ 8.2) is aangegeven dat voor sommige onderdelen van het lichamelijk onderzoek een bepaalde lichaamshouding gewenst is. Ook is genoemd dat een enkele keer een patiënt een onderzoek of handeling niet toelaat.
A.M. van Dongen, J.H. Robben

25. Verzamelen van materiaal voor laboratoriumdiagnostiek

Abstract
Aan het slot van diverse hoofdstukken is een korte opsomming gegeven van de mogelijkheden voor verdere diagnostiek. Daaronder wordt vaak ook laboratoriumonderzoek genoemd. Resultaten van laboratoriumonderzoek zijn vaak van groot belang voor het diagnostisch proces c.q. bij de toetsing van de uit anamnese en lichamelijk onderzoek voortgekomen hypothese(n) (zie ook § 3.2).
J.H. Robben, A.M. van Dongen

26. Preanesthetisch onderzoek

Abstract
In hoofdstuk 2 is reeds aangegeven dat anamnese en lichamelijk onderzoek niet altijd tot doel hebben het probleem dat de eigenaar bij het gezelschapsdier heeft opgemerkt, op te helderen of op te lossen. Soms moet een gericht onderzoek worden ingesteld omdat de eigenaar dat vraagt.
L.J. Hellebrekers

27. Gezondheidscontrole

Abstract
Evenals bij het preanesthetisch onderzoek gaat het bij een gezondheidscontrole niet primair om een door de eigenaar opgemerkt verschijnsel. De dierenarts wordt gevraagd na te gaan of het dier (of de dieren) gezond is (zijn). In de diergeneeskundige praktijk wordt veelvuldig om een gezondheidscontrole gevraagd.
F.C. Stades, A.A. Stokhof

28. Vogels

Abstract
Rond honderdvijftig miljoen jaar geleden zijn de vogels (klasse Aves) ontstaan uit hagedisachtige reptielen. Veel van de anatomische en fysiologische kenmerken van vogels zijn gelijk aan die bij reptielen. Een belangrijk verschil is dat vogels homeotherm zijn en reptielen poikilotherm.
J.T. Lumeij

29. Kleine zoogdieren: konijn, cavia, chinchilla, goudhamster, muis, rat, gerbil, fret en nerts

Abstract
Anamnese en lichamelijk onderzoek bij de kleine zoogdieren verschillen in principe niet van die bij de hond of kat. De detailverschillen in (de mogelijkheden van) het onderzoek worden hoofdzakelijk bepaald door het verschil in grootte tussen de diverse diersoorten en verschillen in anatomie en/ of fysiologie.
J.T. Lumeij

30. Reptielen

Abstract
Reptielen omvatten ongeveer 6000 soorten. Ze worden verdeeld in drie grote ordes: de Testudines (schildpadden), de Crocodylia (krokodillen) en de Squamata (hagedissen [Sauria] en slangen [Serpentes]). De schildpadden behoren tot de oudste reptielen, terwijl slangen evolutionair de meest recente zijn.
I. Westerhof

Nawerk

Meer informatie