Ga naar de hoofdinhoud
Top

Abstracts Najaarsvergadering NVU, 7 november 2025

  • Open Access
  • 01-11-2025
  • Abstracts
Gepubliceerd in:
insite
INHOUD
share
DELEN

Deel dit onderdeel of sectie (kopieer de link)

  • Optie A:
    Klik op de rechtermuisknop op de link en selecteer de optie “linkadres kopiëren”
  • Optie B:
    Deel de link per e-mail
insite
ZOEKEN

Samenvatting

Intermitterende katheterisatie (CIC) is de voorkeursbehandeling bij urineretentie. Het gebruik van eenmalige katheters veroorzaakt echter veel plastic afval en hoge zorgkosten. Herbruikbare katheters bieden een potentieel duurzaam alternatief.

1 1. Veiligheid van herbruikbare versus eenmalige katheters bij intermitterende katheterisatie voor urineretentie: een multicenter, gerandomiseerde non-inferioriteitsstudie (COMPaRE)

F.E.E. van Veen, C.H.H. Christiaans, S.A. Berendsen, T. van Doorn, J.L. Boekhorst, S. Koedood, M. Kuenen, A.W.T.M. Roelofs, L.P.W. Witte, S. Dijkstra, J. van Brakel, G.J. van der Wielen, L.A.J. Roelofs, J.H. Wolterbeek, E.L. Koldewijn, J. van Asten, I. Bleumer, B.E. Hansen, J.R. Scheepe, B.F.M. Blok
Erasmus MC, Rotterdam

1.1 Introductie

Intermitterende katheterisatie (CIC) is de voorkeursbehandeling bij urineretentie. Het gebruik van eenmalige katheters veroorzaakt echter veel plastic afval en hoge zorgkosten. Herbruikbare katheters bieden een potentieel duurzaam alternatief.

1.2 Methode

In deze multicenter, gerandomiseerde non-inferioriteitsstudie in 12 ziekenhuizen werden 386 patiënten die ≥ 2x/dag CIC uitvoerden, gerandomiseerd naar herbruikbare of eenmalige katheters met 12 maanden followup. Herbruikbare katheters werden na elke katheterisatie afgespoeld, bewaard in verdund natriumhypochloriet en na twee weken vervangen. De primaire uitkomst was de incidentie van urineweginfecties (UWI's) per patiënt-maand. Secundaire uitkomsten waren UWI-gerelateerde ziekenhuisopnamen, invasieve infecties, stenen, urethrastricturen, hematurie en adverse events. De primaire analyse werd uitgevoerd in de modified intention-to-treat (mITT)-populatie, gedefinieerd als alle gerandomiseerde patiënten met ≥ 6 weken follow-up.

1.3 Resultaten

Baselinekenmerken waren vergelijkbaar tussen de groepen (gemiddelde leeftijd 61,4 jaar; 63% man; 36% neurogene oorzaak). In de mITT-populatie (n = 326) bedroeg de gemiddelde follow-up 11,4 maanden (sd 2,9) in de herbruikbare groep en 12,0 maanden (sd 1,9) in de eenmalige groep (tabel 1.1). Ten minste 1 UWI trad op bij 30,9% van de patiënten met herbruikbare katheters en bij 29,9% met eenmalige katheters. De UWI-incidentie was vergelijkbaar: 0,050 versus 0,054 per patiënt-maand, met een absoluut verschil van -0,004 (95%-BI -0,025–0,019), waarmee de non-inferioriteitsmarge van 7% werd gehaald. Deze resultaten bleven consistent in alle sensitiviteitsanalyses. Kathetergerelateerde complicaties en ernstige bijwerkingen waren vergelijkbaar; alleen urethrale irritatie trad vaker op bij herbruikbare katheters (20,0% vs. 4,7%; p = 0,035).
Tabel 1.1.
UWI-incidentie en kathetergerelateerde complicaties bij herbruikbare versus eenmalige katheters
 
herbruikbare katheters
(n = 185)
eenmalige katheters
(n = 192)
absoluut verschil
(95%-BI)
primaire analyse (mITT-populatie)*
   
follow-up, maanden (sd)
11,4 (2,9)
12,0 (1,9)
 
UWI-incidentie per patient-maand (95%-BI)
0,050 (0,035–0,067)
0,054 (0,040–0,069)
-0,004 (-0,025–0,019)
kathetergerelateerde complicaties
  
p-waarde
≥ 1 UWI, n (%)
43 (27,0)
59 (31,0)
0,525
aantal UWI’s, mediaan (IQR)**
1 (1–2)
2 (1–2,5)
 
urosepsis, n (%)
1 (0,5)
0 (0,0)
1,000
UWI-gerelateerde ziekenhuisopname, n (%)
3 (1,6)
3 (1,6)
1,000
pyelonefritis, n (%)
1 (0,5)
1 (0,5)
1,000
epididymo-orchitis, n (%)
2 (1,1)
4 (2,1)
0,652
prostatitis, n (%)
0 (0,0)
1 (0,5)
1,000
macroscopische hematurie, n (%)
23 (12,0)
24 (12,0)
0,525
aantal episodes macroscopische hematurie, mediaan (IQR)**
1 (1–2)
2 (1–4)
 
urethrastrictuur, n (%)
1 (0,5)
1 (0,5)
1,000
urolithiasis, n (%)
0 (0,0)
0 (0,0)
1,000
95%-BI = 95%-betrouwbaarheidsinterval; IQR = interkwartielafstand; mITT = modified intention-to-treat; sd = standaarddeviatie; UWI = urineweginfectie.
* mITT-populatie: alle patiënten met ≥ 6 weken follow-up; 191 controle, 134 interventie.
** Waarden zijn berekend voor deelnemers met ≥ 1 periode.

1.4 Conclusie

Dit is de eerste grootschalige RCT die aantoont dat herbruikbare katheters non-inferieur zijn aan eenmalige katheters wat betreft UWI-incidentie, en een vergelijkbaar veiligheidsprofiel hebben. Brede implementatie kan plastic afval en zorgkosten reduceren en de toegankelijkheid van CIC in lage inkomenslanden verbeteren.

2 2. Patiëntgerapporteerde uitkomsten van herbruikbare versus eenmalige katheters bij intermitterende katheterisatie voor urineretentie: een prospectieve, gerandomiseerde, multicenterstudie (COMPaRE)

C.H.H. Christiaans, F.E.E. van Veen, S.A. Berendsen, T. van Doorn, J.L. Boekhorst, S. Koedood, M. Kuenen, A.W.T.M. Roelofs, L.P.W. Witte, S. Dijkstra, J. van Brakel, G.J. van der Wielen, L.A.J. Roelofs, J.H. Wolterbeek, E.L. Koldewijn, J. van Asten, I. Bleumer, B.E. Hansen, J.R. Scheepe, B.F.M. Blok
Erasmus MC, Rotterdam

2.1 Introductie

De primaire uitkomst van de COMPaRE-trial laat zien dat herbruikbare katheters niet zorgen voor een hogere incidentie van urineweginfecties (UWI's) dan eenmalige katheters voor zelfkatheterisatie (ISC). De consistente toepassing en naleving van het gebruik van katheters hangt echter sterk af van de kathetergerelateerde kwaliteit van leven (KvL) en de patiënttevredenheid. Deze studie onderzoekt de kathetergerelateerde KvL en de patiënttevredenheid bij het gebruik van eenmalige versus herbruikbare katheters binnen de COMPaRE-trial.

2.2 Methode

Wij hebben een multicenter, gerandomiseerde, non-inferioriteitsstudie uitgevoerd in 12 ziekenhuizen in Nederland. Deelnemers moesten ouder zijn dan 16 jaar, ≥ 2 × per dag ISC toepassen, met minimaal 2 weken ervaring. Patiënten werden gerandomiseerd in het gebruik van de herbruikbare katheter of hun eigen eenmalige katheter. Kathetergerelateerde KvL en patiënttevredenheid werden beoordeeld met de ISC-Q en InCaSa-Q. De gezondheidsgerelateerde KvL is beoordeeld met de EQ-5D-5L en SF-Qualiveen. Uitkomsten werden verzameld bij baseline, na 6 weken, 26 weken en 52 weken.

2.3 Resultaten

Tussen januari 2019 en april 2024 hebben 386 patiënten deelgenomen aan de studie. De gemiddelde leeftijd was 61 jaar, 63% was man en 36% had een neurologische oorzaak onderliggend aan het blaaslijden. De gemiddelde ISC-Q-score was na 1 jaar significant hoger in de herbruikbare groep dan in de eenmalige groep (p = 0,03) (figuur 2.1). De Cohen's d effectgrootte was klein (0,22). De InCaSa-Q-score was na 1 jaar echter significant hoger in de eenmalige groep (p < 0,03). De Cohen’s d effectgrootte was wederom klein (0,24). Er was na 1 jaar geen verschil in de EQ-5D-5L- en SF-Q-scores.
Figuur 2.1.
De veranderingen van de ISC-Q- en InCaSa-Q-scores per domein vanaf baseline per interventiearm per meetmoment
Afbeelding vergroten

2.4 Conclusie

Deze studie laat zien dat de kathetergerelateerde KvL en patiënttevredenheid vergelijkbaar zijn tussen eenmalige en herbruikbare katheters. Deze resultaten, in combinatie met de te verwachten milieu- en financiële voordelen, rechtvaardigen de implementatie van de herbruikbare katheter in de dagelijkse praktijk. Ontwerpverbeteringen van de herbruikbare katheter kunnen de gebruiksvriendelijkheid verhogen, wat brede implementatie kan bevorderen.

3 3. Ouderperceptie versus professioneel panel HOPE (Hypospadias Objective Penile Evaluation)-score van het preoperatieve uiterlijk bij hypospadie

P.L. Toet-Ostendorf, F. van der Toorn, B.B.M. Kortmann, J.S.L.T. Quaedackers, P.R.H. Callewaert, M.G. Steffens, H.J.R. van der Horst, M. Schotman, J.E.G.H. Huynh, R.P.J. Schroeder
UMC Utrecht, Utrecht

3.1 Introductie

Eén op de 300 jongens wordt geboren met een hypospadie. Dit gaat gepaard met belangrijke chirurgische en psychosociale implicaties. Onderzoek richt zich vooral op chirurgische technieken en complicaties, terwijl functionele uitkomsten en het peniele uiterlijk minder aandacht krijgen. Studies naar ouderperceptie van preoperatief peniel uiterlijk ontbreken. Wij vergeleken oudertevredenheidscijfers, ouderperceptiescores (gemeten met een vragenlijst gebaseerd op de vragen uit de Hypospadias Objective Penile Evaluation (HOPE)-score) en de gevalideerde HOPE-scores ingevuld door een chirurgisch panel.

3.2 Methode

In totaal werden 708 jongens prospectief en multicenter geïncludeerd als onderdeel van de Nederlandse Hypospadie Studie (2008–2016). Ouders en een panel van 3 kinderurologen beoordeelden preoperatief onafhankelijk de items van de HOPE-score: positie en vorm van de meatus, vorm van de glans, peniele huid en torsie van de penis, resulterend in een totaalscore 1–10 (10 = beste). De ouders kregen per item 1 (‘normale') referentiefoto. Het panel kreeg per item meerdere referentiefoto's. Ouders gaven daarnaast een tevredenheidscijfer (1–10) aan het peniele uiterlijk van hun zoon.

3.3 Resultaten

Van de 708 jongens had 135 (19%) glandulair, 482 (68%) subcoronaal/distaal, 46 (6%) midschacht, 30 (4%) proxi-maal en 15 (2%) penoscrotaal hypospadie (figuur 3.1). Ouders gaven consequent hogere scores voor alle HOPEitems dan het panel, significant voor glansvorm, meatusvorm en totaalscore (p < 0,05). Het verschil nam toe bij meer proximale hypospadieën. Opvallend was dat ouders significant lagere tevredenheidscijfers gaven dan hun perceptiescore. De tevredenheidscijfers kwamen meer overeen met de HOPE-score van het panel.
Figuur 3.1.
Boxplot van de drie verschillende scores weergegeven voor de verschillende meatusposities
Afbeelding vergroten

3.4 Conclusie

Er bestaan duidelijke discrepanties tussen ouderperceptiescore en panelbeoordeling van het preoperatieve hypospadie-uiterlijk. Ouders zijn minder goed in staat om met behulp van de HOPE-items een objectief cijfer te geven. Hun tevredenheidscijfer sluit beter aan bij de HOPE-score van het panel en lijkt daarmee geschikter om (eind)resultaten te evalueren.

4 4. Prostaatkankerspecifieke sterfte bij mannen met en zonder comorbiditeit: langetermijnresultaten van de ERSPC

S.F. Westerhout, S. Remmers, C.H. Bangma, G.J.L.H. van Leenders, P.J. van Leeuwen, M.J. Roobol
Erasmus MC, Rotterdam

4.1 Introductie

De effectiviteit en uitvoerbaarheid van een bevolkingsonderzoek prostaatkanker (PK) kan worden verbeterd door deze meer geïndividualiseerd (risk based) aan te bieden. Wij onderzochten het verschil in de effectiviteit van PSA-screening op de PK-specifieke sterfte tussen mannen met en zonder comorbide aandoening bij de start van de screening.

4.2 Methode

Mannen in de European Randomized Study of Screening for PK kregen in de screeningarm (S) om de 4 jaar een PSA-test. Mannen in de controlegroep (C) werden niet uitgenodigd. De primaire uitkomst was de cumulatieve incidentie van PK-specifieke sterfte, rekening houdend met sterfte door andere oorzaken. De cumulatieve incidentie voor PK en metastasen werd berekend, rekening houdend met algemene sterfte. Rate ratios's (RR's) werden geschat voor dezelfde uitkomstmaten, gestratificeerd naar comorbide aandoening. Comorbiditeit was gedefinieerd als geen versus minimaal 1 comorbide aandoening volgens de Charlson Comorbidity Index, gescoord met zelfingevulde vragenlijsten ten tijde van de randomisatie. De primaire analyse werd uitgevoerd bij mannen van 55–69 jaar; mannen > 70 jaar werden apart geanalyseerd.

4.3 Resultaten

Na 21 jaar was er geen verschil in PK-specifieke sterfte tussen de S- en C-arm bij mannen met een comorbide aandoening (nscreening = 4.081; ncontrole = 3.975; RR 1,09; 95%-BI 0,76–1,56; figuur 4.1). Bij mannen zonder comorbide aandoening (nscreening = 13.361; ncontrole = 13.414) was de PK-specifieke sterfte statistisch significant lager in de S-arm dan in de C-arm (RR 0,67; 95%-BI 0,54–0,83). De absolute risicoreductie in deze groep was 5,4 per 1.000 (95%-BI 2,4–8,2). Per 185 uitgenodigde en per 10 mannen bij wie PK werd vastgesteld, werd 1 sterfgeval als gevolg van PK voorkomen. Er werd geen statistisch significant verschil in PK-specifieke sterfte tussen de S- en C-arm gezien bij mannen van ≥ 70 jaar, ongeacht comorbiditeit.
Figuur 4.1.
Cumulatieve incidentie van prostaatkankerspecifieke sterfte voor mannen 55–69 jaar, gestratificeerd naar comorbiditeit (inclusief 95%-betrouwbaarheidsintervallen)
Afbeelding vergroten

4.4 Conclusie

Bij mannen met een comorbide aandoening heeft PSA-screening geen statistisch significant effect op de PK-specifieke sterfte, in tegenstelling tot mannen die bij aanvang geen comorbide aandoening rapporteerden. Deze resultaten ondersteunen de mogelijkheid om PK-screening verder te optimaliseren door middel van een meer geindividualiseerde aanpak.

5 5. Een innovatieve poliklinische behandeling van recidiverende blaastumoren: transurethrale laserablatie

S.R. Scholten, J.W. Mazel
Spaarne Gasthuis, Hoofddorp

5.1 Introductie

Recidiverend oppervlakkig blaascarcinoom (NMIBC) wordt doorgaans op de OK behandeld. Ruim 10 jaar geleden werd in het Verenigd Koninkrijk een minder invasieve poliklinische behandeling ontwikkeld: de transurethrale laserablatie (TULA). Hierbij kunnen afwijkingen zowel worden gecoaguleerd als gereseceerd om weefsel te verkrijgen voor PA. Wij introduceerden TULA in Nederland en rapporteren hier de eerste resultaten.

5.2 Methode

Patiënten met een verdenking op een recidief NMIBC in de blaas ondergingen TULA op de polikliniek met een flexibele cystoscoop en diodelaser. Tijdens de procedure werd een koud biopt afgenomen of een en-bloc-resectie verricht. De ingreep vond plaats zonder anesthesie, pijnstilling of katheter na de ingreep. Antistolling werd niet gestaakt. Follow-up met cystoscopie werd na 3 en/of 6 maanden verricht.

5.3 Resultaten

Tussen april 2024 en september 2025 zijn 112 patiënten met een recidief NMIBC met een TULA behandeld. Ze waren gemiddeld 75 (sd 10,7) jaar oud, van wie 39% ASA-klasse 3. Primaire stadiëring betrof het hele spectrum van pTaLG-pT1HG/CIS. De procedure duurde circa 10 minuten. Bij 96/112 (86%) patiënten is weefsel afgenomen (tabel 5.1). Complicaties traden bij 11/112 (10%) op: 4 urineweginfecties, 1 urosepsis, 6 patiënten met hematurie waarvoor SEH-bezoek of opname, waarvan 1 stolselevacuatie op de OK. Van 80/112 (71%) patiënten zijn de follow-upresultaten bekend. Tien van de 80 (13%) patiënten hadden een recidief, van wie 9 op de eerdere met TULA behandelde locatie. Bij geen van deze 9 patiënten was er sprake van progressie van tumortype of -stadiëring.
Tabel 5.1.
Resultaten histologie
resultaten histologie
aantal (n = 112)
niet verricht
16
benigne
41
pTaLG
37
pTaHG
8
pTaHG + CIS
1
CIS
6
pT1HG
1
pT2
1
beschadigd weefsel
1
In 5 van de 112 (4%) werd detrusor in het weefselonderzoek gevonden

5.4 Conclusie

TULA is een nieuwe, minder invasieve techniek voor de behandeling van recidiverend NMIBC. Het is een veilige procedure die poliklinisch, zonder verdoving en onder volledige antistolling kan worden uitgevoerd. Met de introductie van TULA hebben we de behandeling van recidiverende blaastumoren kunnen verplaatsen van OK naar de polikliniek. Het recidiefpercentage binnen 6 maanden na TULA is laag. Follow-up over de langere termijn moet de oncologische veiligheid nog verder aantonen.

6 6. Centralisatie van robotgeassisteerde laparoscopische prostatectomie met een kwaliteitsprogramma leidt tot een significante afname van ernstige postoperatieve complicaties

S.H. van der Graaf, V.P. Heijnsbroek, H.P. Beerlage, R.J.A. van Moorselaar, J.A. Nieuwenhuijzen, T.A. Roeleveld, H. Veerman, A.N. Vis, E.M.K. Wit, H.G. van der Poel, P.J. van Leeuwen
Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, Amsterdam

6.1 Introductie

Centralisatie van robotgeassisteerde laparoscopische prostatectomie (RALP) wordt aanbevolen om uitkomsten te verbeteren, maar een hoger operatievolume alleen leidt niet tot voortdurende verbetering vanwege een plateau. Gestructureerde kwaliteitsprogramma's (KP) en prospectieve registratie kunnen verdere verbetering opleveren. Deze studie evalueerde trends in ernstige postoperatieve complicaties (Clavien-Dindo ≥ 3) na invoering van een gecentraliseerd prostaatkankerzorgmodel in Nederland, waarbij alle RALP'en (> 400/jaar) door 6 chirurgen in 1 centrum werden uitgevoerd, met gestructureerde follow-up, dataverzameling en KP.

6.2 Methode

We voerden een cohortstudie uit bij 2.870 patiënten met primair prostaatcarcinoom die tussen 2018 en 2024 een RALP ondergingen. Het primaire eindpunt was de trend in ernstige postoperatieve complicaties (Clavien-Dindo ≥ 3) binnen 90 dagen na RALP. Jaarlijkse trends werden geanalyseerd met univariate logistische regressie. Secundair werden chirurgspecifieke patronen onderzocht.

6.3 Resultaten

Ernstige complicaties traden op bij 3,8% van de patiënten (n = 108). De incidentie daalde van 6,6% in 2018 naar 0,9% in 2024, met een jaarlijkse afname van 23% in de odds (95%-BI 0,69–0,85; p < 0,05). De afname was consistent bij alle chirurgen.
Conclusie.
Zeven jaar na invoering van dit gecentraliseerde zorgmodel werd een significante afname van ernstige postoperatieve complicaties geregistreerd. Deze bevindingen ondersteunen bredere toepassing van vergelijkbare samenwerkingsmodellen met gestructureerde KP's om chirurgische veiligheid te verbeteren en kosten in de oncologische zorg te reduceren.

7 7. Eerste resultaten van adjuvante mitomycine-C-injecties bij recidief blaashalsstenose

N.M.P. Kil, M.I.A. Wyndaele, L.M.O. Heck-de Kort
UMC Utrecht, Utrecht

7.1 Introductie

Blaashalsstenose (BNS) is een uitdagend probleem met een grote recidiefkans na endoscopische behandeling. Na een transurethrale ingreep aan de prostaat (TURP) treedt BNS op bij 1–10% van de en na radicale prostatectomie wordt bij 1–3% van de patiënten een stenose van de vesico-urethrale anastomose beschreven (VUAS). Bij een recidief is de kans van slagen na een tweede endoscopische behandeling gering. Onze hypothese is dat het toevoegen van een antifibrotisch medicament, zoals mitomycine-C (MMC), na dilatatie of incisie van de (neo)blaashals veilig is en de kans op recidief kan verminderen.

7.2 Methode

Een retrospectief dossieronderzoek is uitgevoerd bij mannen die tussen februari 2021 en april 2025 een endoscopische behandeling van de blaashals ondergingen, gecombineerd met intralaesionale MMC vanwege recidief BNS of VUAS. Standaard preoperatieve evaluatie bestond uit anamnese, uroflowmetrie en urethrocystoscopie. Succesvolle behandeling werd gedefinieerd als verbetering van de maximale flow rate (Qmax) > 15 ml/s en een recidief bij noodzaak tot re-interventie. Follow-up vond plaats na 3, 6 en 12 maanden. Statistische analyses werden uitgevoerd met behulp van SPSS.

7.3 Resultaten

Elf patiënten werden behandeld met MMC-injecties in de blaashals, 4 voor VUAS en 7 met BNS. De gemiddelde leeftijd was 69,5 (± 7,6) jaar. Het gemiddelde aantal eerdere interventies bedroeg 3 (± 1,4) keer. Vijf/11 patiënten (45,5%) werden behandeld met dilatatie en 6/11 (54,5%) met incisie. De preoperatieve Qmax was gemiddeld 8,5 (± 3,4) ml/s en postoperatief 16,5 (± 10,9) ml/s (p = 0,053). Bij alle patiënten met VUAS (n = 4) werd een recidief gezien en bij 1 patiënt na TURP. Op basis van patiëntgerapporteerde uitkomsten ervaarde 54,5% een goede verbetering van de mictie. De complicaties waren: urineweginfectie (n = 2) en dysurie (n = 1). De gemiddelde follow-up bedroeg 10 (± 7,7) maanden.

7.4 Conclusie

Adjuvante behandeling met MMC bij endoscopie voor VUAS verbetert de recidiefkans niet. Bij recidief BNS na TURP kan MMC wel van toegevoegde waarde zijn. Er werden geen majeure complicaties gezien.

8 8. Single centre-resultaten van ventrale inlayurethraplastiek bij female urethrastricturen (FUS) over de afgelopen 2 jaar

N.M.P Kil, L.M.O Heck-de Kort
UMC Utrecht, Utrecht

8.1 Introductie

Female urethrastricturen (FUS) worden vaak niet (h)erkend en daarmee vaak ondergediagnosticeerd, met een gemiddelde vertraging tot diagnose van 4 tot 12 jaar. Bij vrouwen met lagere urinewegklachten (LUTS) en een blaasuitgangsobstructie heeft 4–20% een urethrastrictuur. Er bestaat geen gestandaardiseerde behandelstrategie voor FUS. Het doel van deze studie was het analyseren van onze resultaten van een urethraplastiek voor FUS.

8.2 Methode

Er is een retrospectief dossieronderzoek uitgevoerd bij de vrouwen die tussen juli 2023 en juni 2025 een ventrale inlay-urethraplastiek ondergingen. Preoperatieve evaluatie bestond uit anamnese, lichamelijk onderzoek, uroflowmetrie en een cystoscopie (CH 8,5). De diagnose FUS werd gesteld op basis van fibrotische veranderingen bij cystoscopie en/of een obstructief flowpatroon met een maximale flow rate (Qmax) < 12 ml/s. Succesvolle behandeling is omschreven als verbetering van de mictie (Qmax > 15 ml/s) en afname van klachten. Follow-up vond plaats na 3 weken (verwijderen van de katheter) en bij 3, 6 en 12 maanden. Statistische analyses werden uitgevoerd met behulp van SPSS.

8.3 Resultaten

Dertien patiënten ondergingen een ventrale inlayurethraplastiek met martiusplastiek, 12 met mond- en 1 met vaginaal slijmvlies. De gemiddelde leeftijd was 48,1 (± 9,0) jaar. De gemiddelde tijd tot diagnose bedroeg 9,6 (± 5,8) jaar. Gemiddeld hadden patiënten 2,7 (± 1,4) eerdere interventies ondergaan. De preoperatieve Qmax was gemiddeld 9,2 (± 6,3) ml/s en verbeterde significant tot 18,3 (± 6,8) ml/s postoperatief (p < 0,001). Complicaties postoperatief: 4 patiënten een hematoom van het labium (conservatief behandeld) en 1 urineweginfectie. Vier patiënten hadden een recidiefstrictuur, van wie 2 na eerdere plastiek. Op basis van patiëntgerapporteerde uitkomsten had 69,2% significante klachtenvermindering. Geen van de patiënten ontwikkelde postoperatieve urine-incontinentie. De follow-up bedroeg gemiddeld 10 (± 5,9) maanden.

8.4 Conclusie

Een ventrale inlay-urethraplastiek was succesvol bij bijna 70% van de vrouwen zonder majeure complicaties. Hoewel bij een recidief re-do-plastiek mogelijk is, was de succeskans daarvan in onze populatie beperkt.

9 9. De invloed van rechts- of linkshandigheid op de uitkomsten van sacrale neuromodulatie bij lagere urinewegdisfunctie: maakt ipsilaterale of contralaterale leadplaatsing verschil?

H.J. Kendall, A.R.P.K.M. van Renterghem, M.A.C. Smits, J.P.F.A. Heesakkers
Maastricht UMC + , Maastricht

9.1 Introductie

Sacrale neuromodulatie (SNM) is een effectieve behandeling voor een overactieve blaas (OAB) en niet-obstructieve urineretentie (NOUR). De zijde van leadplaatsing wordt momenteel bepaald op basis van peroperatieve factoren en de voorkeur van de chirurg. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat motorische controle voornamelijk plaatsvindt via de contralaterale hersenhemisfeer. Desondanks wordt met deze motorische dominantie geen rekening gehouden tijdens neuromodulatieprocedures. Dit onderzoek heeft als doel te evalueren of er een verband bestaat tussen een overeenkomst van handvoorkeur en leadzijde en het succes van de testfase bij SNM.

9.2 Methode

Retrospectief werden gegevens over leeftijd, geslacht, diagnose, handvoorkeur, leadzijde en testuitkomst geanalyseerd van patiënten die tussen 1995 en 2025 met SNM werden behandeld. De primaire uitkomstmaat was het succes van de testfase, gedefinieerd als progressie naar implantatie van een pulsgenerator (IPG). Logistische regressie werd toegepast om associaties te analyseren en subgroepanalyses werden uitgevoerd voor OAB- en NOUR-patiënten.

9.3 Resultaten

Van de 453 geincludeerde patienten was het percentage progressie naar IPG-implantatie 70,0%. Een overeenkomst tussen handvoorkeur en leadzijde was geassocieerd met een hogere kans op succes (OR 1,98; p = 0,067). Linkshandige patiënten hadden significant grotere kansen op succes (OR 2,18; p = 0,037) (figuur 9.1). Subgroepanalyses lieten consistente trends zien bij zowel NOUR- als OAB-patienten. Daarnaast bleken jongere en vrouwelijke patienten een hogere succeskans te hebben.
Figuur 9.1.
Uitkomst van de testfase verdeeld per combinatie van handvoorkeur en leadzijde, uitgedrukt in aantallen patienten en percentages per combinatie. TLP = tined lead procedure; RH = rechterhand; LH = linkerhand; RL = rechter lead; LL = linker lead
Afbeelding vergroten

9.4 Conclusie

Een overeenkomst tussen dominante hand en leadzijde lijkt geassocieerd met een hogere kans op succes en linkshandige patienten tonen betere uitkomsten. Totdat er meer definitief bewijs beschikbaar is, stellen wij een eenvoudige en kosteloze benadering voor om de resultaten van de testfase van SNM te verbeteren: plaatsing van de lead in het sacrale foramen ipsilateraal aan de dominante hand van de patient.

10 10. Het effect van peroperatievekatheterdiameter op functionele uitkomsten na hypospadiechirurgie

F.A.M. Rozemeijer, F. van Toorn, R.P.J Schroeder
UMC Utrecht, Utrecht

10.1 Introductie

Na urethroplastiek bij hypospadiechirurgie wordt vaak een lage maximale stroomsnelheid (Qmax) gezien. De klinische relevantie hiervan en antwoord op de vraag of deze resulteert in functionele klachten zijn niet bekend. Peroperatief kunnen verschillende katheterdiameters worden gebruikt bij het vormen van de neo-urethra. Chirurgisch is een gebruik van grotere katheters uitdagender; het leidt tot meer urethrale complicaties (UC). Hypothetisch heeft de grote katheter wel een positieve invloed op de functionele uitkomsten. In deze studie onderzochten wij de functionele langetermijnuitkomsten na peroperatief gebruik van een grote versus een kleine katheterdiameter.

10.2 Methode

Dit onderzoek maakt deel uit van de Nederlandse Hypospadie Studie, een prospectieve multicenter observationele cohortstudie. Geincludeerd werden patienten met een distale hypospadie die een urethroplastiek ondergingen. Patienten met UC werden geexcludeerd. Op 5- en 10-jarige leeftijd werden de volgende functionele uitkomsten geevalueerd: Qmax (uroflowmetrie), mictiefrequentie, maximaal geloosd volume, incontinentie (plasdagboek), patientgerapporteerde beoordeling van mictiestraal en zindelijkheid (vragenlijst). We analyseerden twee groepen op basis van de peroperatieve katheterdiameter: klein (CH 6/8) versus groot (CH 10/12).

10.3 Resultaten

We includeerden 304 patiënten op 5-jarige leeftijd en 142 op 10-jarige leeftijd. Qmax was significant hoger in de grootkathetergroep, zowel op 5- als 10-jarige leeftijd. Op 5 jaar had 24,3% van de kleinkathetergroep een Qmax < 10 ml/s, versus 12,2% in de grootkathetergroep (p = 0,007) (figuur 10.1). De overige functionele uitkomsten verschilden niet significant tussen de beide kathetergroepen.
Figuur 10.1.
Verdeling van Qmax per kathetergroep (CH 6/8 vs. CH 10/12)
Afbeelding vergroten

10.4 Conclusie

Qmax was significant hoger bij gebruik van grotere katheters, zowel op 5- als 10-jarige leeftijd. Dit verschil resulteerde echter niet in verschillen in andere functionele uitkomsten. De kathetermaat lijkt hierdoor een beperkte klinische impact te hebben op de functionele uitkomsten.

11 11. Preputiumplastiek bij hypospadiecorrectie; een prospectieve studie naar complicatierisico en oudertevredenheid

C.C. Meijssen, F. van der Toorn, A. van Uitert, P.R.H. Callewaert, J.S.L.T. Quaedackers, M.G. Steffens, H.J.R. van der Horst, M. Schotman, R.C. Wortel
UMC Utrecht, Utrecht

11.1 Introductie

Tijdens een hypospadiecorrectie kan de gespleten dorsale preputium gereconstrueerd worden door middel van een preputiumplastiek. Deze extra chirurgische handeling kan mogelijk het complicatierisico verhogen. Deze studie evalueert het mogelijke verschil in preputium- en urethragerelateerde complicaties na hypospadiecorrectie met en zonder preputiumplastiek. Verder wordt de oudertevredenheid met het postoperatieve aspect van de penis onderzocht.

11.2 Methode

Dit is een substudie van de Nationale Hypospadie Studie, een prospectieve, multicenter, cohortstudie (20082016). Bij jongens met (sub)coronaire of distaleschachthypospadie werden complicaties van het preputium na primaire hypospadiecorrectie inclusief preputiumplastiek (n = 233) beoordeeld 6 maanden post-OK en op 5-jarige leeftijd. Urethrale complicaties in deze patiëntengroep werden vergeleken met die in een controlegroep (n = 402) waarbij een hypospadiecorrectie zonder preputiumplastiek werd verricht. In de controlegroep werd een gesteelde Dartosflap vanuit het preputium gebruikt om de neo-urethra te bedekken en daarmee de kans op urethrale complicaties te verlagen. Multivariate regressiemodellen werden gebruikt om factoren geassocieerd met complicaties te analyseren. Oudertevredenheid over het postoperatieve aspect van de penis werd vergeleken tussen beide groepen.

11.3 Resultaten

In de preputiumplastiekgroep werden complicaties aan het preputium (preputiumfistel, preputiumdehiscentie) gezien bij 19,7% (46/233 patiënten). Er werd geen statistisch significant verschil waargenomen in urethraplastiekcomplicaties tussen beide groepen (25,8% in de preputiumplastiekgroep vs. 21,6% in de controlegroep). Het overall risico op complicaties was wel significant hoger in de preputiumplastiekgroep (36,9%) versus de controlegroep (21,6%). Op 5-jarige leeftijd was oudertevredenheid over het postoperatief aspect vergelijkbaar (8,12 vs. 8,13).

11.4 Conclusie

Het uitvoeren van een preputiumplastiek geeft een substantieel additioneel risico op postoperatieve complicaties. Een preputiumplastiek heeft geen impact op de oudertevredenheid over het postoperatieve aspect van de penis.

12 12. PROQURE-I: een fase I-onderzoek naar de combinatie van [177Lu]Lu-PSMA-617 en uitwendige radiotherapie bij curatieve behandeling van klierpositief prostaatkanker

L.G. Zuur, D. Hoogenkamp, E.C.A. van der Sar, M.G.E.H. Lam, J.R.N. van der Voort-van Zyp, P.J. van Leeuwen, L.J. de Wit-van der Veen, D.M.V. de Vries-Huizing, J.M.A. Hendrikx, A.J.A.T. Braat, W.V. Vogel
Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, Amsterdam
Figuur 12.1.
Voorbeeld van multimodale beeldvorming en behandelplanning. Ter illustratie tonen we beeld- en behandelingsgegevens van 1 patiënt: A) PSMA-PET/CT die radiotraceropname toont in de primaire prostaattumor en een locoregionale lymfeklier (aangegeven met rode pijlen); B) EBRT-planning die de dosisverdeling in het bestralingsveld weergeeft, waarbij een totale dosis van 78 Gy aan de prostaat wordt toegediend; en C) post-behandelingsdosimetrie SPECT/CT na toediening van [177Lu] Lu-PSMA-617, met een geschatte geabsorbeerde dosis van 38,7 Gy aan de prostaat en 24,0 Gy aan de lymfeklier
Afbeelding vergroten

12.1 Introductie

Prostaatkankerpatiënten met locoregionale lymfeklieren (N1M0) hebben een beperkte prognose ondanks agressieve multimodale behandeling met uitwendige bestralingstherapie (EBRT) en androgeendeprivatietherapie (ADT). [177Lu]Lu-PSMA-617 heeft reeds veelbelovende resultaten laten zien in een palliatieve setting bij prostaatkanker. Deze studie onderzoekt de veiligheid van EBRT en ADT in combinatie met [177Lu]Lu-PSMA-617 voor N1M0-patiënten met prostaatkanker, in een curatieve setting.

12.2 Methode

De PROQURE-I-studie is een multicenter fase I-studie die de standaardbehandeling (6–7 weken EBRT en 2 jaar ADT) onderzoekt met 1–2 toegevoegde cycli (3, 6, 9 of 2 × 7,4 GBq) [177Lu] Lu-PSMA-617 gegeven tijdens week 2 (en 4) van de EBRT. De maximaal tolereerbare hoeveelheid radioactiviteit wordt bepaald met een Bayesian Optimal Interval (BOIN)-dosisescalatie, met als criterium het optreden van graad 3 of hogere toxiciteit, gemeten tot 3 maanden na de behandeling. De gecombineerde geabsorbeerde dosis van EBRT en [177Lu]Lu-PSMA-617 is een van de secundaire uitkomsten.

12.3 Resultaten

In totaal werden 14 patiënten geïncludeerd. Eén patiënt ontving 3 GBq, 1 patiënt 6 GBq, 6 patiënten 9 GBq en de laatste 6 patiënten 2 × 7,4 GBq [177Lu]Lu-PSMA-617. Alle patiënten vertoonden graad 1–2 toxiciteit, die was toe te schrijven aan de EBRT. Er werd geen graad 3 toxiciteit waargenomen. Het hoogste en goed verdragen dosisniveau van [177Lu]Lu-PSMA-617 gaf een extra geschatte geabsorbeerde dosis in de primaire tumor van gemiddeld 10,2 Gy (range 5,1–15,4), bovenop de maximale 78 Gy van EBRT.

12.4 Conclusie

De maximale dosering van 2 × 7,4 GBq [177Lu]Lu- PSMA-617 werd goed verdragen tijdens curatieve EBRT en ADT, wat de veiligheid van deze nieuwe behandelcombinatie bevestigt. Deze toevoeging van [177Lu]Lu- PSMA-617 resulteerde in een aanzienlijke, maar wisselende verhoging van de dosis op de primaire tumor. De effectiviteit van deze behandeling zal in een fase II-studie worden onderzocht.

13 13. PSMA-PET/CT-analyse van de anatomische ziekteverspreiding bij patiënten met pathologisch lymfeklierpositief prostaatkanker en biochemisch recidief na radicale prostatectomie met pelviene lymfeklierdissectie

L.G. Zuur, K.C.C. de Bie, L. Wever, R.H. Ettema, A.C. Berrens, J.P.A. van Basten, H.H.E. van Melick, M.L. Donswijk, D.E. Oprea-Lager, W.V. Vogel, H.G. van der Poel, A.N. Vis, P.J. van Leeuwen
Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, Amsterdam

13.1 Introductie

De kennis over de oncologische uitkomsten van patiënten met pathologisch lymfeklierpositief (pN1) prostaatkanker na radicale prostatectomie (RP) met uitgebreide bekkenlymfeklierdissectie (ePLND) is beperkt, en er bestaat geen consensus over de beste aanvullende behandeling. Deze.
Studie evalueert de metastatische ziekteverspreiding bij pN1-patienten met een vroeg biochemisch recidief (BCR), met behulp van prostaatspecifiek membraan antigeen positronemissie tomografie/computertomografie (PSMA- PET/CT).

13.2 Methode

Deze multicenter, retrospectieve cohortstudie omvatte 130 pN1-prostaatkankerpatienten met BCR (PSA ≥ 0,2 ng/ ml) na RP met ePLND (2015–2022). Preoperatief geclassificeerd als miN0M0, ondergingen ze bij BCR herstadiering met PSMA-PET/CT. Klinische en beeldvormingsgegevens werden geanalyseerd met de Mann–Whitney U-test, chi-kwadraattoetsen en Cox-regressieanalyses.

13.3 Resultaten

De mediane tijd tot BCR was 9 maanden (interkwartielafstand (IKA) 3–18). Persisterend PSA (PSA ≥ 0,1 ng/ml bij eerste follow-up) werd vastgesteld bij 66/130 patienten (51%). Bij herstadiering met PSMA-PET/CT was de mediane PSA 0,33 ng/ml (IKA 0,24–0,65). PSMA-zichtbare ziekte werd gedetecteerd bij 63/130 patienten (48%), van wie 37/63 (59%) beperkt tot het bekken – 16/37 (43%) met lymfeklieren aan de ipsilaterale zijde van de verwijderde positieve lymfeklier. Bovendien werd bij 26/63 (41%) patienten ziekte buiten het bekken (miM +) gevonden (figuur 13.1). Univariate Cox-regressieanalyse toonde aan dat persisterend PSA het risico op een door PSMA-PET/CT gedetecteerd recidief verhoogde, en een hogere ISUP-score bij RP werd geassocieerd met miM + -ziekte.
Figuur 13.1.
De ziekteverspreiding van PSMA-zichtbare ziekte gedetecteerd door PSMA-PET/CT bij pN1-prostaatkankerpatienten met een BCR. Zevenendertig/130 (29%) patienten hadden ziekte beperkt tot het bekken en 26/130 (20%) had afstandsmetastasen. De cijfers binnen de Vierkanten geven het aantal patienten aan. Tr + = lokaal recidief, miM + = afstandsmetastasen, PSMA-PET/CT = prostaatspecifiek membraan antigeen positronemissie tomografie/computertomografie, BCR = biochemisch recidief
Afbeelding vergroten

13.4 Conclusie

PSMA-PET/CT identificeerde PSMA-zichtbare ziekte bij bijna de helft van de pN1-prostaatkankerpatiënten ten tij – de van een vroeg BCR, waarbij ongeveer de helft van de metastasen beperkt was tot het bekken en een kwart zich buiten het bekken bevond.

14 14. Parastomale hernia na cystectomie en brickeroperatie: incidentie, klinische relevantie en risicofactoren

P.A. Tjeenk, J.B Ringia, S. van der Graaf, E.M.K. Wit, H.G. van der Poel, B.W.G. van Rhijn, L.S. Mertens, K. Hendricksen, D. da Costa, J. Greidanus, M.W. van de Kamp Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, Amsterdam

14.1 Introductie

Parastomale hernia (PSH) is een bekende complicatie na radicale cystectomie met brickeroperatie (RC-B), met impact op kwaliteit van leven. De gerapporteerde incidentie varieert en patiënt- of technische risicofactoren zijn onduidelijk. Deze studie evalueert de incidentie en klinisch beloop van PSH na RC-B en onderzoekt potentiële risicofactoren.

14.2 Methode

In deze retrospectieve cohortstudie werden patiënten geïdentificeerd met een RC-B tussen januari 2023 en juli 2024. Patiënten zonder postoperatieve beeldvorming werden geëxcludeerd. Baselinekenmerken, radiologische parameters en gestandaardiseerde intraoperatieve stomafoto's werden verzameld. Het optreden van een PSH werd radiologisch vastgesteld en geclassificeerd. Het primaire doel betrof de PSH-incidentie, de tijd tot de diagnose en het klinisch beloop. Secundair werden potentiële risicofactoren geanalyseerd, zoals BMI, stomapositie, diameter van de fascieopening (DPRAM), subcutane vetdikte (SFT), psoas muscle-index en -volume (PMI/PMV), en de afstand van urinestoma tot de extractiepoort. Voor DPRAM werd een multivariabel model opgesteld.

14.3 Resultaten

Van de 194 gescreende patiënten werden er 158 geïncludeerd; mediane leeftijd 71 jaar, 26% vrouw en 68% was robotgeassisteerde RC-B. Bij 20 patiënten (12,7%) werd een PSH vastgesteld, met een mediane tijd tot diagnose van 8,0 maanden (IQR 6,2–12,3) (figuur 14.1). Twaalf patiënten (60%) waren symptomatisch, 3 van de 20 werden operatief gecorrigeerd. Diabetes mellitus was geassocieerd met een verhoogd risico (HR 3,70; 95%-BI 1,34–10,2, p < 0,05). De sterkste voorspeller was DPRAM: elke 5 mm grotere fascieopening ging gepaard met een verdubbeling van het risico (HR 2,24; 95%-BI 1,62–3,10, p < 0,001), onafhankelijk van BMI. Er werd geen significant verband gevonden tussen PSH en BMI, PMI/PMV, SFT, stomalocatie of de afstand van stoma tot extractiepoort.
Figuur 14.1.
Links: (A) fascieopening gemeten op axiale CT-scan (DPRAM). (B) Schematische weergave met in rood de contouren van de rectusspier, in blauw het subcutane vet en in geel de brickerlis. Rechts: selectie van patiënt- en operatieve variabelen, gestratificeerd naar aanwezigheid van parastomale hernia (PSH). Getoond zijn: BMI, diabetes, psoas muscle index (PMI), psoas volume-index (PVI), subcutane vetdikte (SFT), fascieopening (DPRAM) en afstand van het stoma tot de extractiepoort
Afbeelding vergroten

14.4 Conclusie

PSH trad binnen het eerste jaar na RC-B op bij 1 op de 8 patiënten en is vaak symptomatisch. De grootte van de fascieopening (DPRAM) blijkt de belangrijkste voorspellende factor. Toekomstig onderzoek richt zich op validatie van DPRAM als risicofactor en evaluatie van preventieve strategieën.

15 15. Oncologische uitkomsten van robotgeassisteerde PSMA-radiogeleide chirurgie bij recidief prostaatkanker: update en inzichten uit de TRACE-I-studie

L.G. Zuur, H.A. de Barros, A.C. Berrens, V.A. Ottens, M.N. van Oosterom, M.L. Donswijk, J.J.M.A. Hendrikx, F.W.B. van Leeuwen, H.G. van der Poel, P.J. van Leeuwen Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, Amsterdam

15.1 Introductie

Prostaatspecifiek membraanantigeen (PSMA)-radiogeleide chirurgie (RGC) is waardevol gebleken voor het detecteren van prostaatkankerrecidieven tijdens pelviene salvagechirurgie. Deze studie evalueert de oncologische uitkomsten van een robotgeassisteerde salvage-PSMA-RGC.

15.2 Methode

Deze prospectieve studie (NCT03857113) includeerde 30 patiënten met biochemisch recidief (BCR) na radicale prostatectomie (RP) (PSA ≥ 0,2 ng/ml) en/of radiotherapie (RT) (PSA-stijging van ≥ 2 ng/ml). Ze hadden maximaal 2 prostaatkankerrecidieven in het kleine bekken, vastgesteld met PSMA-PET/CT (2020–2023). Voor de ingreep ondergingen ze een SPECT/CT-scan, gevolgd door robotgeassisteerde PSMA-RGC. Oncologische uitkomsten werden beoordeeld met postoperatieve PSMA-PET/CT en PSA-metingen. Kaplan–Meier-analyses bepaalden de BCR-vrije overleving, metastasevrije overleving op afstand (dMFS) en tijd tot de aanvullende behandeling (TFS).

15.3 Resultaten

De mediane leeftijd bij RGC was 68 jaar, met een mediane PSA van 1,02 ng/ml. Bij PSMA-RGC werden 32/34 (94%) van de op preoperatieve PSMA-PET geïdentificeerde prostaatkankerlaesies verwijderd. Drie maanden na PSMA-RGC waren 19 (63%) patiënten biochemisch vrij van prostaatkanker. Binnen deze periode kreeg 1 patiënt een Clavien-Dindo graad 3–4-complicatie. De gemiddelde follow-upduur bedroeg 39 maanden, met een mediane tijd tot recidief van 15 maanden. Na 12 maanden bedroeg de BCR-vrije overleving 60%, de dMFS 85% en TFS 78%. Eén patiënt overleed aan prostaatkanker. Multivariate analyse toonde geen significante voorspellers voor BCR, metastasen of aanvullende therapie.

15.4 Conclusie

Robotgeassisteerde PSMA-RGC is haalbaar en veilig. Hiermee is het een behandeloptie bij geselecteerde patiënten met een recidief prostaatkanker (lokaal of lymfeklier) binnen het kleine bekken om de BCR-vrije overleving te verlengen en aanvullende therapie uitstellen. Verdere studies zijn nodig om onze bevindingen te bevestigen. De vervolgstudie onderzoekt het oncologische voordeel van PSMA-RGC in gerandomiseerde setting.

16 16. De externe validatie van de geüpdatete Prostaatwijzer in een Nederlands klinisch cohort

H.Y. Chou, S. Remmers, H.B. Luiting, E.C.C. Cauberg, M.H. Blanker, M. Steffens.
Isala, Zwolle

16.1 Introductie

De Prostaatwijzer (www.prostaatwijzer.nl) voorspelt de kans op klinisch significant prostaatcarcinoom (csPCa). Deze voorspelling kan worden gebruikt om te bepalen of een MRI-prostaat geïndiceerd is. De Prostaatwijzer is geupdatet en houdt nu rekening met de aanwezigheid van cribriforme groei in het biopt. In deze studie voeren we een externe validatie uit van 2 wijzers: de originele Prostaatwijzer (RC3original) en de Prostaatwijzer met cribriforme groei (RC3cribri).

16.2 Methode

De ProMES-studie (2022) includeerde prospectief biopsienaïeve patiënten met een PSA van 4–20 ng/ml. Ze waren verwezen vanwege een verhoogd PSA of een afwijkend toucher. Allen ondergingen een MRI-onderzoek én het afnemen van prostaatbiopten (PIRADS ≤ 2 systematische biopten en PIRADS > 2 systematische en fusiebiopten). CsPCa werd gedefinieerd als ISUP grade group 2 met invasieve cribriforme groei of grade group ≥ 3. De prostaatwijzers werden beoordeeld op discriminatie en kalibratie.

16.3 Resultaten

CsPCa werd gediagnosticeerd in 94 (27%) van de 355 mannen. Het discriminerend vermogen van beide prostaatwijzers was ≥ 70%. Het kalibratie-intercept was > 1 voor RC3original en RC3cribri. Dat betekent dat beide modellen de kans op csPCa onderschatten (figuur 16.1). Als we RC3original (geadviseerde drempelwaarde 4%) in dit cohort hadden toegepast, hadden we 29% minder MRI's gemaakt en 8,5% van de csPCa's gemist. Voor de RC3cribri (geadviseerde drempelwaarde 1%) betekent dit 23% minder MRI's en het missen van 4,3% van de csPCa's.
Figuur 16.1.
Externe validatie van twee Prostaatwijzers met AUC (onderscheidend vermogen), kalibratie-intercept (structurele over- of onderschatting) en kalibratieslope (mate van over- of onderfitting)
Afbeelding vergroten

16.4 Conclusie

Beide Prostaatwijzers onderschatten de kans op csPCa. Dit komt omdat de prevalentie in het cohort waarin de wijzers gemaakt zijn (het screeningscohort) lager is dan in ons hedendaagse klinische cohort. Dit maakt rekalibratie van de wijzers noodzakelijk. De RC3cribri halveert het aantal gemiste csPCa's, terwijl deze nagenoeg evenveel MRI's kan voorkomen als de RC3original.

17 17. Continueren van antistolling tijdens afname van transperineale prostaatbiopten verhoogt het risico op bloedingscomplicaties niet

S.L. Mekke, J. Egberts, R.F.M. Bevers
Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden

17.1 Introductie

Prostaatbiopten zijn essentieel voor het stellen van de diagnose prostaatkanker, maar brengen bloedingsrisico's met zich mee, waarbij patiënten die antistolling gebruiken mogelijk een verhoogd risico hebben. Daarom wordt antistolling rondom prostaatbiopten vaak gestaakt, wat het risico op cardiovasculaire en cerebrovasculaire events verhoogt. Dit onderzoek evalueert de veiligheid van het continueren van antistolling tijdens afname van transperineale prostaatbiopsie.

17.2 Methode

Het betreft een retrospectieve cohortstudie van alle patienten die van 2019 tot en met 2023 transperineale echogeleide prostaatbiopten hebben ondergaan. Patiënten die tijdens de biopsie hun antistollingsmedicatie hadden gecontinueerd, werden vergeleken met patiënten die geen antistolling gebruikten. Patiënten bij wie de antistolling voorafgaand aan de biopsie was gestaakt, werden geëxcludeerd. De bloedingscomplicaties werden gescoord volgens Clavien-Dindo.

17.3 Resultaten

In totaal werden 317 sessies van transperineale echogeleide prostaatbiopten geanalyseerd. Bij 111 hiervan gebruikte de patiënt een vorm van antistolling tijdens de afname van de biopten. In 44% van die 111 sessies was sprake van gebruik van een vitamine K-antagonist (VKA) of direct werkende orale anticoagulantia (DOAC). Tussen beide groepen werd geen significant verschil in bloedingscomplicaties gevonden. In de groep van antistollingebruik kreeg 5,4% van de patiënten een bloedingscomplicatie versus 5,3% in de groep zonder antistolling (p = 0,58). Er was ook geen significant verschil in bloedingscomplicaties tussen patiënten die een VKA/DOAC gebruikte ten opzichte van andere antistolling (6,1% vs. 4,8% respectievelijk, p = 0.77). Alle bloedingscomplicaties betroffen Clavien-Dindo graad 1-complicaties zonder noodzaak tot opname, transfusie of interventie.

17.4 Conclusie

Het continueren van elke vorm van antistolling verhoogt het risico op bloedingscomplicaties niet bij het afnemen van transperineale prostaatbiopten.

18 18. Behandeling van recto-urethrale fistels na robotgeassisteerde laparoscopische prostatectomie: de York-Mason-procedure

S.H. van der Graaf, E.M.K. Wit, G.L. Beets, B.A. Grotenhuis, T.A. Roeleveld, J.A. Nieuwenhuijzen, A.N. Vis, P.J. van Leeuwen, H.G. van der Poel
Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, Amsterdam

18.1 Introductie

Een recto-urethrale fistel (RUF) is een ernstige complicatie na een robotgeassisteerde laparoscopische prostatectomie (RALP) met verhoogde morbiditeit en verminderde kwaliteit van leven. Behandelopties omvatten conservatief beleid en chirurgische interventie, zoals de York-Mason-procedure (YMP). Deze studie evalueert de uitkomsten van de YMP bij de behandeling van RUF na RALP.

18.2 Methode

Een retrospectieve cohortstudie werd uitgevoerd in een hoogvolume RALP-centrum. Tussen januari 2011 en mei 2024 werden 12 patiënten met RUF na RALP geïdentificeerd die met YMP behandeld werden. De initiële behandeling bestond uit conservatief beleid met katheterisatie om spontane sluiting te bevorderen. Bij falen hiervan volgde een chirurgische interventie, waarbij bij de uitvoering van een YMP tevens een colostoma werd aangelegd. De YMP is een posterior transsfincterische procedure, waarbij de fistel via gezond weefsel wordt benaderd en het sfinctercomplex laag voor laag wordt gesloten. Succesvolle interventie werd gedefinieerd als de afwezigheid van anaal urineverlies, fecale incontinentie of pneumaturie, en het ontbreken van lekkage op cystogram.

18.3 Resultaten

De verdeling van patiënten naar een voorgeschiedenis van radiotherapie en type behandeling is weergegeven in figuur 18.1. Van de 12 patiënten hadden 10 geen radiotherapie in hun voorgeschiedenis. Acht van deze patiënten ondergingen primair een YMP, met een succespercentage van 100% na mediane follow-up van 5,1 jaar (sd 2,9). De overige twee RALP-patiënten ondergingen aanvankelijk een andere chirurgische ingreep, waarna 1 succesvol werd behandeld met een daaropvolgende YMP. Twee patiënten hadden radiotherapie in hun voorgeschiedenis: 1 voor de RALP en 1 na de RALP. De YMP was succesvol bij de patiënt die radiotherapie voor RALP had ontvangen, maar niet bij de patiënt met radiotherapie na RALP.
Figuur 18.1.
Stroomdiagram studiepatiënten. RALP: robotgeassisteerde laparoscopische prostatectomie, RUF: recto-urethrale fistel, RT: radiotherapie
Afbeelding vergroten

18.4 Conclusie

De YMP levert veelbelovende resultaten op bij de behandeling van RUF bij patiënten die een RALP hebben ondergaan zonder salvageradiotherapie. De procedure is effectief wanneer deze als eerste chirurgische interventie wordt toegepast.

19 19. Postoperatieve hematoomvorming na robotgeassisteerde laparoscopische prostatectomie: een prospectieve cohortstudie

S.H. van der Graaf, C. Tillier, H.G. van der Poel
Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, Amsterdam

19.1 Introductie

Binnen ons netwerk van 13 ziekenhuizen en 6 urologen ondergaan jaarlijks ruim 400 patiënten een robotgeassisteerde laparoscopische prostatectomie (RALP) bij gelokaliseerd prostaatcarcinoom. Tijdens de nacontrole zagen we variatie in hematoomvorming, wat aanleiding was voor deze prospectieve cohortstudie.

19.2 Methode

Tussen februari en april 2025 ondergingen 91 patiënten een RALP, van wie 26 in ons centrum postoperatief poliklinisch werden beoordeeld en geanalyseerd. Tijdens de follow-up werd lichamelijk onderzoek gedaan en werden foto's van het abdomen verzameld. Leeftijd, BMI, medicatiegebruik, operatietechniek (met of zonder lymfeklierdissectie) en postoperatieve dag van follow-up werden geregistreerd. H ≥ 10 cm werden als klinisch relevant beschouwd. Beschrijvende statistiek werd weergegeven als mediaan met interkwartielafstand (IQR). Voor continue variabelen werd de Mann–Whitney U-test gebruikt, voor binaire variabelen de Fisher's exacttoets. De studie werd lokaal goedgekeurd (IRBd19-248).

19.3 Resultaten

De mediane leeftijd was 66 jaar (IQR 62–66), de mediane BMI 26 (IQR 23–28) en de mediane follow-up dag 11 (IQR 10–12). Tien patiënten (38%) ondergingen lymfeklierdissectie. Bij 6 patiënten (23%) werd een hematoom ≥ 10 cm gezien, alle rond de trocarinsteek. Niemand gebruikte antistolling. Er waren geen significante verschillen in BMI, mobiliteit of lymfeklierdissectie tussen patiënten met en zonder klinisch relevant hematoom. De hematomen traden op bij RALP'en van 4 verschillende chirurgen.

19.4 Conclusie

BMI, lymfeklierdissectie en mobiliteit verschilden niet significant tussen patiënten met en zonder klinisch relevante hematomen. Plastisch chirurgen beoordeelden de hematomen als oppervlakkig en vergelijkbaar met liposuctiehematomen. Bespreking met de operateurs liet verschillen zien in trocarplaatsingstechniek, met name het al dan niet coaguleren van de fascie vooraf. Op basis hiervan standaardiseerden we deze coagulatie om hematomen mogelijk te reduceren. Daarnaast starten we een vervolgstudie met vroege postoperatieve foto's, aangezien hematomen mogelijk vooral in de eerste week ontstaan.

20 20. Geen voordeel van naloxegol op gastrointestinaal herstel na radicale cystectomie binnen ERAS: een multicenter cohortstudie

J.B. Ringia, M.A. Dekker, R.A.G. Lijnen, M.W. van de Kamp, E.M.K. Wit, A.N. Vis, J.A. Nieuwenhuijzen, H.G. van der Poel, B.W.G. van Rhijn, L.S. Mertens, J.R. Oddens, K. Hendricksen
Amsterdam UMC locatie VUmc, Amsterdam

20.1 Introductie

Ondanks implementatie van Enhanced Recovery After Surgery (ERAS)-protocollen blijft radicale cystectomie (RC) gepaard gaan met aanzienlijke gastro-intestinale complicaties. Alvimopan, een perifeer werkende μ-opioïdreceptorantagonist (PAMORA), versnelt het gastro-intestinale (GI) herstel, maar is niet beschikbaar in Europa. Naloxegol, een andere PAMORA, is wel beschikbaar, maar onvoldoende onderzocht binnen ERAS na RC. Deze studie evalueert het effect van naloxegol op GI-herstel en opnameduur bij RC.

20.2 Methode

In deze multicenter retrospectieve cohortstudie werden patiënten geïncludeerd die tussen januari 2023 en maart 2025 een RC met brickerse deviatie ondergingen in twee Nederlandse ziekenhuizen. Naloxegol werd toegevoegd aan het ERAS-protocol. Patiënten die naloxegol kregen werden in het interventiecohort geanalyseerd; de controlegroep was een gematcht cohort zonder naloxegol. De primaire uitkomstmaat was het GI-herstel, gedefinieerd als de eerste postoperatieve dag waarop een regulier dieet blijvend werd verdragen, in combinatie met flatus (GI-2) of defecatie (GI-3). Secundaire uitkomstmaten waren opnameduur, bijwerkingen van naloxegol en postoperatieve complicaties.

20.3 Resultaten

In totaal werden 258 patiënten geïncludeerd, van wie 114 naloxegol ontvingen en 144 als controlegroep dienden. Baselinekenmerken waren vergelijkbaar; leeftijd (mediaan 70 vs. 71 jaar, p = 0,4), geslacht (27% vs. 26% vrouw, p = 0,8), abdominale voorgeschiedenis (27% vs. 34%, p = 0,2), oncologische indicatie (83% vs. 88%, p = 0,5) en robotgeassisteerde chirurgie (89% vs. 87%, p = 0,7). Er werd geen verschil gevonden in GI-2-herstel (mediaan 3 dagen in beide groepen, p = 0,13) of GI-3-herstel (mediaan 5 dagen in beide groepen, p = 0,6). Ook opnameduur (mediaan 8 dagen (IQR 6,0–12,0) in beide groepen, p > 0,9) en het aantal postoperatieve complicaties verschilden niet significant. Bijwerkingen van naloxegol werden niet gerapporteerd.

20.4 Conclusie

Toevoeging van naloxegol aan het ERAS-protocol leidt niet tot verdere verbetering van het herstel of verkorting van de ziekenhuisopname.

21 21. Moleculaire beeldvorming van prostaatkankerweefsel met behulp van een hybride PSMA-tracer – een stap richting een klinische trial voor beeldgeleide chirurgie

V.A. Ottens, A.C. Berrens, R. Contieri, T. Buckle, M. Da Silva Guimaraes, M. Donswijk, P.J. van Leeuwen, F.W.B. van Leeuwen, H.G. van der Poel
Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, Amsterdam

21.1 Introductie

Prostaatspecifiek membraanantigeen (PSMA) is een belangrijke beeldvormingstarget voor prostaatkanker. PSMA-specifieke tracers kunnen de chirurgische oncologische uitkomsten verbeteren door visualisatie van snijvlakken en lymfekliermetastasen, meestal uitgevoerd met radio- of fluorescentiegeleiding. Onze hybride PSMA-tracer (99mTc-hPSMA) combineert de voordelen van beide methoden. Deze studie onderzocht de ex vivo-nauwkeurigheid van hPSMA om tumoren met PSMA-expressie te detecteren in prostaatweefsel.

21.2 Methode

Vijftien patiënten met PSMA-PET-positieve tumoren ondergingen een prostatectomie. De prostaat werd op tumorhoogte doorgesneden en geïncubeerd in 500 nM hPS- MA (Cy5). Het weefsel werd macroscopisch afgebeeld met een Cy5-fluorescentielaparoscoop, gefixeerd in formaline, gesneden en opnieuw afgebeeld. De beelden werden verwerkt met zelfontwikkelde software. Na paraffine-inbedding werden de secties (immuno)histopathologisch en microscopisch geanalyseerd.

21.3 Resultaten

De fluorescentie in vers weefsel kwam overeen met PSMA PET-positieve leasies (n = 17) in 78% (95%-BI 70,0–88,3) en in formaline gefixeerd weefsel in 75% (95%-BI 59,9–90,1) (figuur 21.1). De fluorescentie in vers weefsel kwam overeen met tumorpositieve laesies op hematoxyline en eosine (HE) in 75% (59,9–90,1) en in formaline gefixeerd weefsel in 69% (50,6–86,8).Ter vergelijking, de PSMA-PET kwam overeen met HE en IHC in 73% (60,3–85,5). Laesies gemist door PSMA-PET en fluorescentie hadden een mediane grootte van 3,7 mm (IQR 2,3–7,1); 86% Gleason-graad 3. De correct geïdentificeerde laesies hadden een mediane grootte van 17,4 mm (IQR 10,6–19,6); 81% Gleason-graad > 3. Paraffine-inbedding veroorzaakte autofluorescentie, wat microscopische evaluaties bemoeilijkte.
Figuur 21.1.
A) preoperatieve PSMA-PET, B) heatmap van hPSMA op vers weefsel, C) heatmap van hPSMA op formalinegefixeerd weefsel, D) PSMA-IHC-kleuring, E) HE-kleuring
Afbeelding vergroten

21.4 Conclusie

Ex vivo-gebruik van de hPSMA-tracer toonde een hoge nauwkeurigheid bij het identificeren van PSMA-PET-positieve laesies. Gecombineerd met preklinische gegevens ondersteunen deze bevindingen de geplande in vivo-evaluatie van 99mTc-hPSMA.

22 22. Concordantie tussen 68Gallium-PentixaFor PET/CT en bijniervene-sampling voor subtypering van patiënten met primair hyperaldosteronisme (CASTUS-trial)

D.W.A. Lamers, A.H. Chaman Baz, M. Gotthardt, W. Spiering, J. Deinum, J.F. Langenhuijsen
Radboud UMC, Nijmegen

22.1 Introductie

In 3,2–12,7% van de patiënten met hypertensie is primair hyperaldosteronisme (PHA) de oorzaak. Het onderscheiden van eenzijdige (= lateralisatie) en tweezijdige overproductie van aldosteron is essentieel voor behandeling, namelijk adrenalectomie of antihypertensiva. Bijniervene-sampling (AVS) is de huidige gouden standaard, maar is invasief en heeft nadelen. 68Gallium-PentixaFor PET/CT is een niet-invasief alternatief voor subtypering van PHA. Het doel van deze studie is om de concordantie tussen 68Ga-PentixaFor PET/CT en AVS te bepalen.

22.2 Methode

Patiënten met PHA werden geïncludeerd en er werden CT-bijnier, AVS en 68Ga-PentixaFor PET/CT verricht. Eenmalig werd 150 +/- 50 MBq 68Ga-PentixaFor toegediend. De eerste 6 patiënten ondergingen een dynamische PET/ CT gevolgd door een statische opname. De daaropvolgende patiënten ondergingen een statische PET/CT 60 minuten postinjectie. De behandeling werd bepaald op basis van AVS en patiënten werden 6 maanden na adrenalectomie gevolgd. Deze studie is de eerste stap van een 2-staps-trial om 68Ga-PentixaFor PET/CT en AVS te vergelijken voor subtypering van patiënten met PHA (CTIS 2024–512628-12).

22.3 Resultaten

Vijfentwintig patiënten werden geïncludeerd (72% man, gemiddelde leeftijd 57 jaar). Vijftien patiënten (60%) toonden lateralisatie op AVS en AVS faalde in 2 patiënten. Het optimale tijdstip van scannen was na 40 minuten postinjectie, aangepast naar 60 minuten postinjectie om de werkstroom te verbeteren. Door een SUVmax-lateralisatie-indexafkapwaarde van 1,4 te gebruiken, werd 68% concordantie behaald, 60% sensitiviteit en 80% specificiteit, met AVS als gouden standaard. Zes maanden postoperatief was er sprake van 93% (14/15) complete biochemische respons en 47% (7/15) complete klinische respons volgens de PASO-criteria. Er werden geen neveneffecten waargenomen.

22.4 Conclusie

68Ga-PentixaFor PET/CT is een niet-invasief alternatief voor het subtyperen van patiënten met PHA. Gezien de beperkte diagnostische waarde van AVS levert deze studie voldoende basis om te starten met een gerandomiseerde klinische studie waarin 68Ga-PentixaFor PET/CT en AVS worden vergeleken op basis van klinische uitkomsten (CASTUS stap 2).

23 23. Eerste resultaten van adjuvante intralaesionale mitomycine-C-injecties bij (recidief) bulbaire urethrastricturen

N.M.P Kil, M.I.A Wyndaele, L.M.O Heck-de Kort
UMC Utrecht, Utrecht

23.1 Introductie

De endoscopische behandeling van bulbaire urethrastricturen met dilatatie of directe visuele interne urethrotomie (DVIU/Sachse) heeft een hoog recidiefpercentage van ongeveer 50%. Onze hypothese is dat intralaesionale injecties met een fibroseremmend medicament zoals mitomycine-C (MMC) de succeskans van endoscopische strictuurbehandeling kan vergroten.

23.2 Methode

Een gecombineerd retrospectief en prospectief (dossier)onderzoek werd uitgevoerd bij mannen die tussen april 2023 en juli 2025 behandeld zijn voor een primaire of eerste recidief bulbaire urethrastrictuur van < 2 cm met dilatatie gecombineerd met intralaesionale injecties met MMC. Preoperatieve evaluatie bestond uit anamnese, uroflowmetrie, cystoscopie (CH 8,5) en retrograde urethrografie. Patiënten kregen postoperatief 24 uur een (CH 16-)katheter. Succesvolle behandeling werd gedefinieerd als verbetering van de mictie (Qmax > 15 ml/s). Follow-up vond plaats na 3, 6 en 12 maanden postoperatief. Statistische analyses werden uitgevoerd met behulp van SPSS.

23.3 Resultaten

Twaalf patiënten ondergingen poliklinische dilatatie onder lokale verdoving met intralaesionale MMC-injecties in 4 kwadranten. De leeftijd was gemiddeld 43 (± 17) jaar. De gemiddelde lengte van de strictuur was 9 (± 5,5) mm. Bij 75% (9/12) was het een eerste recidief na endoscopische behandeling en bij 25% (3/12) een primaire strictuur. De etiologie was iatrogeen (n = 3) of idiopathisch (n = 9). De preoperatieve Qmax was gemiddeld 9,8 (± 5,1) ml/s en verbeterde tot 16,5 (± 9,9) ml/s postoperatief (p = 0,044). Bij 50% (6/12) van de patiënten was de behandeling succesvol. 16,7% (2/12) rapporteerde een verbetering, maar de Qmax was < 15 ml/s. Bij 33,3% (4/12) had de behandeling geen effect. De beschreven complicaties waren self-limiting: dysurie (n = 1), hematurie (n = 1) en onverklaarde pijnklachten aan de basis van de penis (n = 1). De follow-up bedroeg gemiddeld 8 (± 7,5) maanden.

23.4 Conclusie

Intralaesionale MMC-injectie ten tijde van urethradilatatie lijkt veilig toepasbaar zonder grote complicaties. Zeven van de 12 (58,3%) patiënten hadden na gemiddeld 8 maanden follow-up geen recidief urethrastrictuur.
Open Access. This article is distributed under the terms of the Creative Commons Attribution 4.0 International License (http://creativecommons.org/licenses/by/4.0/), which permits unrestricted use, distribution, and reproduction in any medium, provided you give appropriate credit to the original author(s) and the source, provide a link to the Creative Commons license, and indicate if changes were made.

Onze productaanbevelingen

Tijdschrift voor Urologie

Het Tijdschrift voor Urologie is het enige peer-reviewed Nederlandstalige tijdschrift in het vakgebied. Het verschijnt 8 keer per jaar en bevat naast wetenschappelijke artikelen ook case-reports en de abstracts van de voor- en najaarsvergaderingen van de NVU.

share
DELEN

Deel dit onderdeel of sectie (kopieer de link)

  • Optie A:
    Klik op de rechtermuisknop op de link en selecteer de optie “linkadres kopiëren”
  • Optie B:
    Deel de link per e-mail
Titel
Abstracts Najaarsvergadering NVU, 7 november 2025
Auteur
Bohn Stafleu van Loghum
Publicatiedatum
01-11-2025
Uitgeverij
Bohn Stafleu van Loghum
Gepubliceerd in
Tijdschrift voor Urologie / Uitgave bijlage 2/2025
Print ISSN: 2211-3037
Elektronisch ISSN: 2211-4718
DOI
https://doi.org/10.1007/s13629-025-0906-8