Skip to main content
main-content
Top

06-08-2015 | Nieuws

Aandachtspunten voor de huisarts bij oesofaguscarcinoom

Het oesofaguscarcinoom is de op zeven na meest voorkomende en de op vijf na dodelijkste kanker in de wereld. Histopathologisch onderscheidt men twee groepen oesofaguscarcinomen: adenocarcinomen en plaveiselcelcarcinomen. Algemeen wordt verondersteld dat adenocarcinomen zich ontwikkelen in een barrettoesofagus.

Een barrettoesofagus ontstaat door metaplasie van plaveiselepitheel, dat onder invloed van gastro-oesofageale reflux transformeert tot intestinaal cilinderepitheel. Het aantal patiënten met een barrettoesofagus en daarmee de incidentie van het adenocarcinoom is de laatste twintig jaar sterk toegenomen in de westerse wereld. De verklaring is waarschijnlijk de in diezelfde periode opgetreden toename van (vooral abdominale) obesitas, waardoor ook het risico op gastro-oesofageale refluxziekte is toegenomen. In de barrettoesofagus ontstaat eerst laaggradige en dan hooggradige dysplasie, en daaruit kan vervolgens een adenocarcinoom ontstaan. De kans dat dit gebeurt bij een patiënt met een barrettoesofagus is 0,33-0,5% per patiëntjaar. De risicofactoren voor een plaveiselcelcarcinoom zijn minder goed bekend. Naast roken en alcoholgebruik lijkt het drinken van hete dranken het risico te verhogen als gevolg van chronische irritatie van het epitheel.

Zowel adenocarcinoom als plaveiselcarcinoom wordt steeds vroeger ontdekt en ook de behandelingen evolueren snel, maar desondanks is de vijfjaarsoverleving voor beide typen nog steeds slechts 25 procent en 19 procent, respectievelijk.

Diagnostiek en stadiëring

Voordat men een behandelplan kan uitzetten, moeten eerst de karakteristieken van de patiënt en de tumor in kaart gebracht worden. De mate van tumordoorgroei in de omliggende weefsels en het aantal metastasen worden weergegeven in de TNM-stadiëring. De diagnose wordt gesteld op basis van een gastroscopie waarbij men biopten afneemt. De locoregionale uitbreiding en aanwezigheid van lokale lymfekliermetastasen kunnen goed beoordeeld worden met endoscopische ultrasonografie (EUS) . Metastasen op afstand worden onderzocht met een CT-scan van hals, thorax en bovenbuik. Recent heeft de landelijke Richtlijn oesofaguscarcinoom de positie van FDG-PET in de diagnostiek opgewaardeerd. De richtlijn adviseert nu om een CT-scan te combineren met FDG-PET bij patiënten die op basis van CT of EUS in aanmerking komen voor een in opzet curatieve behandeling.

Patiëntgerelateerde factoren

De behandeling van het oesofaguscarcinoom wordt steeds sterker bepaald door patiëntgerelateerde factoren zoals ziektestadium, algemene conditie en comorbiditeit. Expertisecentra voor de diagnostiek en behandeling van het oesofaguscarcinoom zijn erop gericht om een goede selectie te maken welke patiënten in aanmerking komen voor een in opzet curatief behandelplan. In het verleden bestond de behandeling voornamelijk uit chirurgie. Tegenwoordig is het een gecombineerde behandeling van preoperatieve chemoradiotherapie en chirurgie, waarbij de ingreep toenemend wordt verricht met minimaal invasieve technieken. De palliatieve behandeling wordt afgestemd op de individuele patiënt, waarbij gekozen kan worden uit chemotherapie, radiotherapie, stentplaatsing of een combinatie hiervan.

Aandachtpunten voor de huisarts

Diagnose

Overweeg verwijzing naar een expertisecentrum indien oesofaguscarcinoom wordt vastgesteld, vooral bij personen  > 50 jaar


Endoscopische resectie/ablatiefase

  • Overweeg standaard protonpompremmer in adequate dosering, bijvoorbeeld omeprazol 2 dd 40 mg
  • Bij pijnklachten: paracetamol 4 dd 1000 mg, eventueel aangevuld met morfinepreparaat
  • Bij stenosevorming: verwijzing voor gastroscopie en dilatatie

Chemoradiotherapie

  • Bij retrosternale pijn: pijnstilling (paracetamol en morfinepreparaat)
  • Bij gewichtverlies: overleg met behandelend diëtist
  • Bij koorts: cave leukopene koorts, overleg met behandelend oncoloog
  • Bij tintelingen, oorsuizen: melden aan oncoloog, eventueel dosisreductie van de cisplatine

Chirurgische resectie

  • Bij koorts, retrosternale pijn: overleg behandelend chirurg, cave naadlekkage, abcesvorming en pneumonie
  • Bij gewichtverlies: overleg met behandelend diëtist (cave recidief)
  • Bij wondinfectie: overleg met behandelend chirurg
  • Bij stenosevorming: verwijzing voor gastroscopie en dilatatie (cave recidief)


Palliatief traject

  • Bij passageproblemen: overleg met MDL-arts over stentplaatsing en/of radiotherapie
  • Bij pijnklachten: pijnstilling volgens WHO-pijnladder
  • Bij dyspneu bij doorgroei in de trachea: overleg met longarts of palliatief team

Bron en meer lezen

Oesofaguscarcinoom, Christine Kestens, Richard van Hillegersberg, Peter Siersema, Uit het boek Ontwikkelingen in de oncologie.

Tips

Slik- en passageklachten, dr. A.O. Quartero, Maartje Bartelink, Huisarts en Wetenschap, 8-2012.

Stemklachten, H.G.L.M. Grundmeijer; L.J. Schot, Uit: Diagnostiek van alledaagse klachten.

Tumorrest na neoadjuvante chemoradiotherapie bij het oesofaguscarcinoom, Het preSANO-onderzoek, Bo Jan Noordman, Bas P.L. Wijnhoven en J. Jan B. van Lanschot, NTvG 10-11-2014.

Onze productaanbevelingen

BSL Huisarts Totaal

Met BSL Huisarts Totaal bouwt u efficiënt aan uw vakkennis. U krijgt digitale toegang tot boeken, veelgestelde vragen, casuïstiek en zes vaktijdschriften voor huisartsen. Daarnaast vindt u praktijkgerichte nascholing: geaccrediteerde e-learnings, web-tv’s en toetsen. Alles om u nóg beter te maken in uw vak.

Beeldrechten