Skip to main content
Top

Tip

Swipe om te navigeren naar een ander hoofdstuk

2016 | OriginalPaper | Hoofdstuk

7 De rol van zorgverzekeringen

Auteurs : Wynand van de Ven, Richard van Kleef

Gepubliceerd in: Economie van de gezondheidszorg

Uitgeverij: Bohn Stafleu van Loghum

share
DELEN

Deel dit onderdeel of sectie (kopieer de link)

  • Optie A:
    Klik op de rechtermuisknop op de link en selecteer de optie “linkadres kopiëren”
  • Optie B:
    Deel de link per e-mail

Samenvatting

In dit hoofdstuk staat de rol van zorgverzekeringen centraal. In paragraaf 7.2 wordt ingegaan op de voor- en nadelen van zorgverzekeringen. Paragraaf 7.3 bespreekt aspecten van de regulering van de zorgverzekeringsmarkt: hoe kan een voor iedereen betaalbare premie worden gerealiseerd op een concurrerende verzekeringsmarkt? En wat zijn de motieven voor de overheid voor de invoering van een verplichte zorgverzekering? Paragraaf 7.4 bespreekt de wijzen waarop via de zorgverzekering de doelmatigheid van de gezondheidszorg kan worden bevorderd. Twee opties worden besproken: eigen betalingen en zorginkoop door zorgverzekeraars. Vervolgens wordt ingegaan op de vraag of prikkels voor doelmatigheid zouden moeten worden toegepast via de vraagzijde of via de aanbodzijde van de gezondheidszorg. Paragraaf 7.5 vat de conclusies samen.
Voetnoten
1
Voor een discussie over de omvang van het welvaartsverlies als gevolg van zorgverzekeringen (en voor verwijzingen naar eerdere literatuur hierover) zie Nyman (1999b).
 
2
De subsidies kunnen ook afhankelijk zijn van het inkomen van de verzekerde.
 
3
België, Colombia, Duitsland, Ierland, Israël, Nederland, Rusland, Tsjechië, Verenigde Staten, Zuid-Afrika (vanaf 2009) en Zwitserland.
 
4
Gegeven premieregulering en een acceptatieplicht is het doel van ex ante risicoafhankelijke premiesubsidies (= risicoverevening) het tegengaan van risicoselectie. Zonder premieregulering en een acceptatieplicht (paragraaf 7.3.1) is het doel van ex ante risicoafhankelijke premiesubsidies (= risicoverevening) het betaalbaar maken van de premie.
 
5
Berekening door René van Vliet.
 
6
In de Zorgverzekeringswet zijn wel de aard, inhoud en omvang van de aanspraken vastgelegd maar niet hoe, waar en door wie de zorg wordt verleend.
 
7
Als patiënten-/consumentenorganisaties de ontwikkelingen nauwlettend volgen, kunnen zij aan ongewenste situaties ruime publiciteit geven.
 
8
Voor een overzicht van motieven vanuit de welvaartstheorie op grond waarvan beargumenteerd kan worden dat zorgvoorzieningen wel of niet door de overheid moeten worden bekostigd zie Kabel en Vrancken (1991). Voor criteria waaraan de zorg die in het verplichte basispakket wordt opgenomen, moet voldoen zie het rapport Kiezen en delen van de commissie Keuzen in de zorg (commissie-Dunning) (1991)
 
9
Hierbij is verondersteld dat de vraagcurve de relatie weergeeft tussen de door de consument direct te betalen prijs (out-of-pocket-prijs) en de gevraagde hoeveelheid. Als de vraagcurve de relatie weergeeft tussen de marktprijs en de gevraagde hoeveelheid, is geen sprake van een verschuiving langs de curve, maar van een rotatie van de vraagcurve met de richting van de klok mee.
 
10
Een eigen bijdrage is een vast bedrag per eenheid medische consumptie dat de verzekerde zelf moet betalen ongeacht de werkelijke prijs, bijvoorbeeld € 5 per voorschrift van een geneesmiddel.
 
11
Een eigen risico (‘aan de voet’) van € x betekent dat de verzekerde de eerste € x van de onder de verzekeringsdekking vallende verstrekkingen zelf moet betalen. Meestal is sprake van een eigen risico per jaar per polis.
 
12
Voor een uitgebreide beschrijving van de doelstellingen en de opzet van het experiment zie Newhouse (1974) en Van de Ven (1982). Voor een kritiek op het RAND-experiment en een reactie hierop zie Welch e.a. (1987) en Newhouse e.a. (1987).
 
13
Voor een volledig overzicht van de resultaten van het RAND-zorgverzekeringsexperiment zie Newhouse e.a. (1993).
 
14
Bij de interpretatie van deze resultaten is het van belang de verschillen tussen de Amerikaanse en de Nederlandse gezondheidszorg niet uit het oog verliezen, zoals het vrijwel ontbreken in de VS van de functie die de huisarts in de Nederlandse gezondheidszorg vervult, de invloed van de hoge aansprakelijkheidsclaims in de VS in geval van medische fouten door artsen, de culturele verschillen in opvattingen over gezondheidszorg tussen beide landen en het grote aantal on(der) verzekerden in de VS. Voorts is het van belang dat het RAND-experiment alleen betrekking had op personen jonger dan 65 jaar.
 
15
Het gaat hier om eigen betalingen die gelden voor alle vormen van zorg, en niet om ‘eigen betalingen uitsluitend voor niet-klinische zorg’.
 
16
De hier gegeven beschrijving en vermelde resultaten (na twee jaar) van het Oregon-experiment zijn gebaseerd op Baicker e.a. (2013). Voor bevindingen na het eerste jaar zie Finkelstein (2012).
 
17
Voor een discussie over de beperkte mogelijkheden voor het gebruik van eigen betalingen zie bijvoorbeeld Barer e.a. (1979) en Enthoven (1980, pp. 32-37).
 
18
Voor overwegingen over het al dan niet invoeren van eigen betalingen zie bijvoorbeeld het rapport van de Werkgroep ‘Standpunt Eigen Betalingen in de Gezondheidszorg’ (1992).
 
19
Voor een overzicht van de werkwijzen van externe UR-bedrijven en voor een discussie over de relatie tussen UR en professionele autonomie zie Schlesinger e.a. (1997).
 
20
Voor een conceptueel framework om het gebruik van regels en prikkels te vergelijken zie Hillman (1991).
 
21
Binnen de PGP’s worden twee typen HMO’s onderscheiden: staff model-HMO’s en group model-HMO’s. Een staff model-HMO heeft een exclusieve relatie met de medische staf, wiens leden werknemers zijn van de HMO. Een group model-HMO heeft een exclusieve relatie met een grote ‘medische groep’ die uitsluitend een contract met de HMO heeft afgesloten en die van de HMO een vast bedrag (‘abonnement’) per HMO-verzekerde ontvangt (Miller & Luft 1994, p. 441).
 
22
Voor een verdere beschouwing zie Ellis en McGuire (1993).
 
23
Deze bevinding over het effect van een uitbreiding van de verzekeringsdekking moet niet worden verward met de invloed van de verzekeringsdekking, onder gelijkhouding van de omvang, op de kostenontwikkeling in de gezondheidszorg. De introductie van een nieuwe medische technologie bijvoorbeeld wordt minder belemmerd naarmate de consument minder zelf betaalt op het moment van het ontvangen van de zorg. Voor een recente discussie hierover zie bijvoorbeeld Peden en Freeland (1998). Zij schatten dat de helft van de reële toename van de kosten van de gezondheidszorg in de VS per persoon over de periode 1960-1993 en bijna twee derde van de kostengroei over de periode 1983-1993 zijn veroorzaakt door het feit dat de out-of-pocket-prijs voor de consument op het moment van het ontvangen van de zorg slechts een fractie bedroeg van de werkelijke kosten ervan.
 
24
Voor een analyse van optimale combinaties van eigen betalingen en managed care zie Pauly en Ramsey (1999).
 
Metagegevens
Titel
7 De rol van zorgverzekeringen
Auteurs
Wynand van de Ven
Richard van Kleef
Copyright
2016
Uitgeverij
Bohn Stafleu van Loghum
DOI
https://doi.org/10.1007/978-90-368-1314-3_7